ECLI:NL:RBDHA:2024:14289
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder concreet zicht op uitzetting
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is sinds 21 maart 2024 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De voortzetting van deze maatregel werd op 27 augustus 2024 aan de rechtbank gemeld, wat werd opgevat als een beroep van eiser tegen deze voortzetting.
Eiser betoogde dat er geen concreet zicht op uitzetting was en dat de minister zijn informatieplicht had geschonden door geen bewijs van rappels aan de Algerijnse autoriteiten te overleggen. Tevens stelde eiser dat nog geen uitspraak was gedaan op het hoger beroep tegen de bewaring, wat volgens hem duidde op onzekerheid over de rechtmatigheid.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot 18 juni 2024 reeds rechtmatig was getoetst en dat alleen de periode daarna relevant was. Uit het voortgangsrapport bleek dat regelmatig rappels aan Algerije waren gedaan en dat eiser niet meewerkte aan zijn vertrek, onder meer door weigering bij presentaties. De rechtbank achtte de informatieplicht niet geschonden en het zicht op uitzetting voldoende concreet.
De rechtbank verwierp het beroep en stelde dat de termijn van het hoger beroep geen invloed heeft op de rechtmatigheid van de maatregel. Er werden geen onregelmatigheden vastgesteld die tot opheffing van de bewaring zouden leiden. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.