Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:5037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
10 april 2024
Zaaknummer
NL24.12521
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije

De zaak betreft een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zware gronden zoals het risico op onttrekking aan toezicht en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, betwist de gronden niet, maar voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn vanwege het ontbreken van een identiteitsdocument. De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie en stelt vast dat identificatie via dactyloscopie mogelijk is, waardoor ook ongedocumenteerden kunnen worden uitgezet.

De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht is op uitzetting in het geval van eiser en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12521

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.N. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarnaast voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een risico op onttrekking aan het toezicht. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen.
4. Eiser voert aan dat in het individuele geval van eiser er geen zicht op uitzetting bestaat naar Algerije binnen een redelijke termijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 4 mei 2022 [1] geoordeeld dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft op 9 november 2023 [2] geoordeeld dat er in gevallen weer zicht op uitzetting is naar Algerije. Dit blijkt ook uit enkele andere uitspraken van deze rechtbank. [3] Echter volgens eiser volgt uit deze uitspraken dat alleen zicht is op uitzetting indien de betreffende vreemdeling in het bezit is van een (kopie) identiteitsdocument. Anders dan in die zaken, beschikt eiser niet over een dergelijk identificerend document.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat ook ten aanzien van ongedocumenteerden, zoals eiser, er sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Vanaf december 2023 is gebleken dat Algerijnse vreemdelingen op basis van dacty [4] kunnen worden geïdentificeerd. In 2024 is van zes ongedocumenteerden de Algerijnse nationaliteit bevestigd en is de afgifte van een lp [5] toegezegd. Uit het dossier blijkt dat van eiser zijn vingerafdrukken zijn afgenomen zodat er geen reden is om aan te nemen dat in het geval van eiser geen lp zal worden verstrekt omdat eiser niet zou beschikken over een (kopie) identiteitsdocument. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de door verweerder verstrekte gegevens volgt dat er inmiddels weer zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije en er geen indicaties zijn dat dit in het geval van eiser anders is.
6. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.