Eiseres, een vrouw van Somalische nationaliteit, had een asielvergunning die werd ingetrokken. Tijdens haar zwangerschap kreeg zij uitstel van vertrek en recht op opvang bij het COa op grond van de Rva 2005. Na afloop van deze periode werd haar opvang beëindigd. Eiseres en haar minderjarige Nederlandse dochter vroegen om voortzetting van de opvang, maar het COa weigerde dit omdat zij niet meer binnen de Rva-categorieën viel.
De rechtbank oordeelde dat de brief van het COa waarin de beëindiging van de verstrekkingen werd medegedeeld, een besluit in de zin van de Awb is. Hoewel eiseres inmiddels opvang heeft, bestaat er procesbelang voor de periode waarin zij geen opvang had, met name voor het gemiste zakgeld.
De rechtbank overwoog dat het COa slechts opvang hoeft te bieden aan categorieën genoemd in de Rva 2005 en in zeer bijzondere omstandigheden, zoals een acute medische noodsituatie. Eiseres kon geen recente medische stukken overleggen die een dergelijke noodsituatie aantonen. Haar dochter heeft de Nederlandse nationaliteit en valt daarmee buiten de Rva. De stelling dat zij en haar kind zonder opvang op straat staan, leidt niet tot een verplichting tot opvang door het COa.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter D.M. Schuiling op 13 december 2024.