ECLI:NL:RBDHA:2024:21041
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet
De zaak betreft een beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de Minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelt dat de maatregel onrechtmatig is, onder meer vanwege het ontbreken van toegang tot open lucht en het niet gescheiden huisvesten van mannen en vrouwen, zoals voorgeschreven in de Opvangrichtlijn.
De rechtbank oordeelt dat de wijze van toegang tot open lucht en de gescheiden huisvesting behoren tot de feitelijke uitvoering van het detentieregime en dat deze niet in deze procedure kunnen worden beoordeeld. De jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter bevestigt dat klachten over de feitelijke toepassing van het detentieregime niet in een procedure over de bewaringsmaatregel aan de orde kunnen komen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat de klachtprocedure bij de Commissie van Toezicht onvoldoende waarborgen biedt.
Gelet op het voorgaande en het ontbreken van andere aanwijzingen voor onrechtmatigheid, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.