Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
9 april 2021. Gelet hierop mocht appellant de gerechtvaardigde verwachting hebben dat hij per 9 april 2021 recht heeft op een WW-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte tot 9 april 2021 en vroeg op 2 april 2021 een WW-uitkering aan. Het Uwv weigerde aanvankelijk de uitkering wegens niet voldoen aan de wekeneis, maar keerde dit later om en kende de uitkering toe per 9 april 2021. Vervolgens trok het Uwv dit besluit in en ontzegde de uitkering omdat appellant tijdens een fictieve opzegtermijn in het buitenland verbleef, waardoor hij niet aan de wekeneis zou voldoen.
De rechtbank bevestigde het standpunt van het Uwv en stelde dat de eerste werkloosheidsdag pas 23 juli 2021 was, toen appellant terugkeerde uit het buitenland. Appellant stelde dat het Uwv artikel 17, tweede lid, WW onjuist toepaste en dat het intrekken van het eerdere besluit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant op basis van het onvoorwaardelijke besluit van 16 augustus 2021 gerechtvaardigd mocht vertrouwen op zijn recht op WW-uitkering per 9 april 2021. Het Uwv had niet mogen terugkomen op dit besluit, omdat appellant niet redelijkerwijs had kunnen weten dat het besluit onjuist was. De intrekking schendt het rechtszekerheidsbeginsel.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere besluiten worden vernietigd en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het besluit van 16 augustus 2021 blijft in stand en het Uwv moet hieraan uitvoering geven.
Uitkomst: De WW-uitkering per 9 april 2021 blijft in stand en het Uwv moet deze uitkering verstrekken.