Eiser, een Iraanse nationaliteit, diende op 29 maart 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister verklaarde deze aanvraag op 15 oktober 2024 niet-ontvankelijk omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Italië, waar hij sinds 2017 een verblijfsvergunning had. Hoewel deze vergunning in 2022 is verlopen, staat niet vast dat Italië deze niet zal verlengen. De minister baseert zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en medisch advies dat eiser in staat is te reizen en zijn behandeling in Italië kan voortzetten.
Eiser betoogde dat hij mocht vertrouwen op het vervallen van de bescherming in Italië en dat hij vanwege medische problemen bijzonder kwetsbaar is, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zou moeten gelden. De rechtbank oordeelt dat de administratieve omzetting van de procedure niet betekent dat de bescherming is komen te vervallen. Tevens is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt of dat eiser in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt.
De rechtbank volgt hierbij de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een hoge drempel stellen voor het doorbreken van het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij geen toegang zal krijgen tot opvang, medische zorg of andere basisvoorzieningen in Italië. De minister hoefde daarom geen individuele garanties te vragen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.