ECLI:NL:RVS:2024:2068
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 11 januari 2024 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 maart 2024 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met behoud van de rechtsgevolgen.
De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden, mede omdat de rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling was beantwoord.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigde het de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 16 mei 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.