Eiser, van Iraakse nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend die allen zijn afgewezen of buiten behandeling gesteld. Op 12 december 2022 diende hij een opvolgende aanvraag in, welke de minister op 3 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank behandelde het beroep op 26 november 2024.
De kern van het geschil betrof de vraag of de nieuwe door eiser ingebrachte informatie over de veiligheidssituatie in Irak, met name in Mosul en Bagdad, relevant was voor de ontvankelijkheidstoets van de aanvraag. Eiser stelde dat de situatie onveilig is vanwege de aanwezigheid van milities en dat hij persoonlijk risico loopt vanwege zijn soennitische Koerdische achtergrond.
De rechtbank oordeelde dat de nieuwe informatie weliswaar nieuw was, maar niet relevant genoeg om tot een inhoudelijke beoordeling te komen. De minister had adequaat gemotiveerd dat de veiligheidssituatie in Irak niet is verslechterd en dat er geen concreet persoonlijk risico voor eiser is vastgesteld. Eiser had bovendien voldoende gelegenheid gehad om persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen, maar slaagde daar niet in.
Daarom bleef het besluit van de minister om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren in stand. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.