Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen
[naam kind 1] en [naam kind 2], V-nummer: [nummer] , eiseres
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2024 behandeld en beoordeelt of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië nog van toepassing is.
De rechtbank volgt de recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en stelt vast dat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in Kroatië die het vertrouwen in de asielprocedure en opvang ondermijnen. De persoonlijke ervaringen van eiseres en haar man, waaronder mishandeling en detentie in Kroatië, zijn onvoldoende om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres als Dublinclaimant in Kroatië onmenselijk zal worden behandeld.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister niet verplicht is de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De medische omstandigheden van het zoontje van eiseres en de overige omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van het vertrouwensbeginsel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.