ECLI:NL:RBDHA:2024:22324
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten omdat partijen geen zitting wensten. Eiser stelde dat hij in Oostenrijk werd gedetineerd onder slechte omstandigheden, geen advocaat kreeg toegewezen en dat het AIDA-rapport 2023 ernstige tekortkomingen in de opvang en procedure in Oostenrijk beschrijft. Hij vreesde daardoor dat hij bij overdracht aan Oostenrijk zonder adequate opvang en rechtsbijstand zou komen te zitten.
De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft gegeven die het vertrouwen in Oostenrijk ondergraven. De verwijzingen naar het AIDA-rapport en persoonlijke ervaringen zijn onvoldoende om het hoge criterium van zwaarwegendheid te halen. Ook het claimakkoord tussen Nederland en Oostenrijk en de mogelijkheid om klachten in Oostenrijk te richten, ondersteunen het oordeel.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter D.J.M. van de Voort en griffier S.H. Snoeij op 1 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt bevestigd.