ECLI:NL:RBDHA:2025:1767
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2025 behandeld en beoordeelt of het besluit zorgvuldig is genomen en of het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht is toegepast.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende gemotiveerd. Hoewel de minister gebruik heeft gemaakt van een standaardvoornemen, is dit niet onzorgvuldig en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank bevestigt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk geldt, en dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Oostenrijkse asiel- en opvangsysteem die een risico op indirect refoulement rechtvaardigen.
Verder heeft eiser aangevoerd dat zijn medische situatie bijzondere omstandigheden vormt die overdracht aan Oostenrijk onevenredig hard maken. De rechtbank stelt echter vast dat uit het AIDA-rapport blijkt dat asielzoekers in Oostenrijk passende medische zorg ontvangen, en dat de minister daarom terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de overdracht aan Oostenrijk blijft gehandhaafd.