ECLI:NL:RBDHA:2025:10743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
NL24.43709
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000Artikel 17, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning familie- of gezinslid wegens niet-vrijstelling mvv-vereiste

Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende persoon die sinds 2017 in Duitsland verblijft, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid van zijn Nederlandse partner (referente). De minister wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste en geen recht ontleende aan het arrest Chavez, noch dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro.

Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet werd vrijgesteld van het mvv-vereiste, mede gelet op prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en de belangen van zijn Nederlandse dochter. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een Chavez-verblijfsrecht en dat de prejudiciële vragen geen doorslaggevende invloed hadden.

Verder stelde de rechtbank vast dat er wel gezinsleven bestaat tussen eiser, referente en hun dochter, maar niet met de vier kinderen uit het eerdere huwelijk van referente, aangezien er geen hechte persoonlijke banden zijn aangetoond. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro werd door de rechtbank als zorgvuldig en evenwichtig beoordeeld, waarbij het belang van eiser om in Nederland te verblijven werd afgewogen tegen het algemene toelatingsbeleid.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het mvv-vereiste heeft gehandhaafd en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning familie- of gezinslid wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij referente, zijn partner. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen reden bestaat om eiser vrij te stellen van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van het arrest Chavez [1] , artikel 8 van Pro het EVRM of de hardheidsclausule. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiser vrijgesteld kan worden van het mvv-vereiste. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij referente, zijn partner. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiser heeft de Soedanese nationaliteit en verblijft sinds 2017 in Duitsland. Hij wil verblijven bij referente, zijn partner, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij hebben samen in 2021 een dochter gekregen die ook de Nederlandse nationaliteit heeft. Referente heeft daarnaast nog vier kinderen uit een eerder huwelijk. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een mvv. [2] Eiser komt volgens de minister niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste omdat hij geen verblijfsrecht ontleend aan het arrest Chavez, uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM en omdat het tegenwerpen van het mvv-vereiste niet onevenredig hard is. [3]
Had de minister eiser moeten vrijstellen van het mvv-vereiste omdat hij een verblijfsrecht ontleent aan het arrest Chavez?
4. Eiser stelt dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat hij geen verblijfsrecht zou ontlenen aan het arrest Chavez. Hij had in eerste instantie namelijk geen Chavez-verblijfsrecht aangevraagd, omdat hij in het bezit was van een Duits verblijfsrecht. Dit verblijfsrecht is echter verlopen en de Duitse autoriteiten hebben nog niet beslist op zijn verlengingsaanvraag.
Bovendien wijst eiser op de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 24 januari 2024 aan het Hof van Justitie heeft gesteld. [4] Hieruit blijkt dat het helemaal niet zo zeker is dat ouders van Nederlandse kinderen die een verblijfsrecht elders in de Europese Unie hebben geen Chavez-verblijfsrecht toekomt. Het Hof van Justitie heeft in voorbereiding op de beantwoording van de prejudiciële vragen kritische vragen gesteld aan Nederland over het feit dat Nederlandse kinderen feitelijk worden gedwongen van hun recht op vrij verkeer gebruik te maken, zonder dat hun belang daarbij daadwerkelijk kenbaar wordt betrokken.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet voor een Chavez-verblijfsrecht. Eiser heeft namelijk een verlengingsaanvraag ingediend voor zijn Duitse verblijfsrecht en van hem mag verwacht worden dat hij zich inspant om aan de voorwaarden voor deze verblijfsvergunning te voldoen. Door eiser is bovendien niet gesteld dat hij niet langer zou voldoen aan deze verlengingsvoorwaarden. Dit betekent dat de dochter van eiser alleen om die reden al niet gedwongen wordt om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
De verwijzing van eiser naar de door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, gestelde prejudiciële vragen maakt het oordeel ook niet anders. Naast het feit dat het Hof van Justitie nog geen antwoord heeft gegeven op de prejudiciële vragen, is het feitencomplex waarbinnen de vragen zijn gesteld anders dan in onderhavige zaak. In de verwijzingszaak was namelijk sprake was van samenwoning tussen de ouder en het Nederlandse kind en zou bij weigering van het Chavez-verblijfsrecht aan de ouder het kind gedwongen uit Nederland moeten verhuizen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiser moeten vrijstellen van het mvv-vereiste omdat uitzetting in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM?
5. Eiser stelt dat de minister hem had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste, omdat uitzetting in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen eiser, referente en hun minderjarige dochter familie- en gezinsleven bestaat, maar wel of dit gezinsleven beschermingswaardig is in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Verder is in geding of tussen eiser en de vier kinderen van referente ook gezinsleven bestaat.
Familie- en gezinsleven met vier kinderen referente
5.2.
Eiser stelt allereerst dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser als stiefvader geen gezinsleven uitoefent met de vier kinderen van referente. De minister heeft namelijk ten onrechte in de door hem overgelegde verklaringen van zorgverleners, de overgelegde foto’s en zijn verklaringen zelf, geen aanleiding gezien om nauwe, persoonlijke banden tussen hen aan te nemen.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de minister tussen een minderjarig kind en zijn stiefouder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aanneemt als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. [5] Dit is een kwestie van feitelijke aard.
5.4.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat tussen eiser en de vier kinderen van referente geen hechte persoonlijke banden bestaan en dat zij dus geen gezinsleven hebben als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Uit de door eiser overgelegde documenten en afgelegde verklaringen volgt niet dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. Zo is eiser niet aanwezig bij officiële gelegenheden, zoals rapportgesprekken en medische afspraken. Dat de minister hem dit niet kan tegenwerpen omdat hij geen gezag over de kinderen heeft en dus niet mee
kannaar deze afspraken, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt dat hij betrokken is bij belangrijke keuzes van de vier kinderen. Zo stelt eiser enkel dat hij helpt bij het huishouden, het ophalen van de kinderen en dat hij aanwezig is bij niet-officiële gelegenheden, maar heeft hij bijvoorbeeld geen foto’s overgelegd van deze aanwezigheid tijdens schoolactiviteiten. Tot slot verklaart eiser dat hij sinds 2020 maandelijks € 300 bijdraagt aan de opvoeding en verzorging van de kinderen, maar heeft hij slechts één bewijs van een financiële bijdrage overgelegd van € 214,90.
Belangenafweging
5.5.
Eiser stelt verder dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen en dat de minister de verschillende omstandigheden niet dan wel onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet in de belangenafweging heeft meegenomen dat bij verhuizing naar Duitsland de dochter van eiser zich moet handhaven in een cultuur die niet van haar is, dat het niet in het belang van eisers dochter is om haar medische behandeling in Duitsland voort te moeten zetten en dat de minister niet heeft betrokken dat eiser ook helpt bij de opvoeding van zijn dochter en referent daarbij ontlast.
Daarnaast heeft de minister onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat het schadelijk is voor de kinderen om te verhuizen naar Duitsland, omdat zij hier altijd hebben gewoond en naar school gaan. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar verschillende artikelen. [6] Gelet op de belangen van het kind moet dit een grotere rol spelen in de belangenafweging. Verder geeft de biologische vader van de kinderen geen toestemming voor verhuizing van de kinderen en kan eiser referent en de kinderen niet ondersteunen bij hun integratie in Duitsland, omdat hij daar zelf pas enkele jaren woont. Ook had de minister meer gewicht moeten toekennen aan het feit dat eisers dochter medisch specialistische zorg ontvangt en dat het voor de rust in het gezin beter is dat hun dochter deze zorg van dezelfde zorgaanbieder blijft ontvangen. Bovendien is het voor referente prettiger als zij in het Nederlands kan spreken over deze ingewikkelde zorgmaterie.
5.6.
De rechtbank moet oordelen of de belangenafweging die de minister heeft gemaakt, heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het persoonlijk belang van eiser om in Nederland te verblijven bij referente enerzijds en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbelang anderzijds. De rechtbank moet bij een belangenafweging zoals hier aan de orde beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij die afweging heeft betrokken. Dit toetst de rechtbank vol. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafwegingweging getuigt van een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling(en) bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend. [7]
5.7.
De rechtbank oordeelt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken en dat zij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Hoewel tussen eiser, referente en hun dochter gezinsleven bestaat, van eiser geen strafrechtelijke antecedenten bekend zijn en een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Sudan uit te oefenen omdat referente eerder een asielvergunning heeft gehad, heeft de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser mogen laten uitvallen. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat in het geval van eiser geen sprake is van inmenging op het gezinsleven. Eiser heeft namelijk nog nooit eerder een Nederlands verblijfsrecht gehad en hij is dus gezinsleven aangegaan op een moment dat hij hier geen verblijfsvergunning had. Hij had er daarom niet op mogen vertrouwen dat hij samen met zijn partner, en later hun kind, in Nederland mocht gaan wonen. Verder heeft de minister niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat de omstandigheden dat referente en de kinderen niet naar Duitsland willen verhuizen omdat zij geen Duits spreken, de kinderen in Nederland naar school gaan en zijn de Duitse cultuur niet kennen, niet maakt dat de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. Dit zijn namelijk geen onoverkomelijke obstakels. Dat de vader van de vier kinderen geen toestemming zal geven voor een verhuizing naar Duitsland heeft eiser bovendien niet met stukken onderbouwd. Daarnaast stelt de minister in dat kader niet ten onrechte dat geen sprake is van een gedwongen verhuizing en dat eiser en referente er ook voor kunnen kiezen om het gezinsleven op dezelfde manier voort te zetten zoals dat nu gebeurt. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij enkele dagen per week op bezoek komt bij referente en de kinderen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waarom hij dit niet zou kunnen blijven doen. Dat eiser op dit moment niet durft te reizen omdat nog niet is beslist op zijn verlengingsaanvraag van zijn Duitse verblijfsrecht, maakt dit niet anders. De rechtbank merkt in dat kader op dat
eiser immers niet heeft gesteld of aangetoond dat hij niet langer zou voldoen aan de verlengingsvoorwaarden. Ook heeft de minister in het nadeel kunnen meenemen dat hoewel de dochter van eiser zorg ontvangt, dit niet als een bijzondere omstandigheid aangemerkt hoeft te worden waardoor de belangenafweging in het voordeel van eiser zou moeten uitvallen. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de dochter de zorg niet in Duitsland zou kunnen worden ontvangen of dat de zorg niet in Nederland zou kunnen worden voortgezet.
Had de minister eiser moeten vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule?
6. Eiser stelt tot slot dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt waarom het, gelet op de medische omstandigheden van zijn dochter, niet onevenredig hard is om vast te houden aan het mvv-vereiste. De minister stelt in het bestreden besluit namelijk slechts dat niet is aangetoond dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk en dat de medische redenen geen reden zijn om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat tegenwerping van het mvv-vereiste niet onredelijk hard is voor eiser. De minister heeft zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde religieuze huwelijk tussen eiser en referente gelijk is te stellen aan een naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Verder is niet gebleken dat de gezondheidsproblemen van de dochter van eiser maken dat eiser niet kan terugkeren naar Duitsland. De minister stelt in dat kader niet ten onrechte dat eiser vanuit Duitsland een mvv-aanvraag kan indienen. Eiser woont daar en kan, zoals hij nu doet, zijn partner en kind blijven bezoeken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hof van Justitie EU 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
2.Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000.
4.ECLI:NL:RBDHA:2024:2300 (verwijzingsuitspraak).
5.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.JAMA Psychiatry, ‘Changing Neighborhood Income Deprivation Over Time, Moving in Childhood, and Adult Risk of Depression’, [website 1], ‘Verhuizen heeft gevolgen voor de kinderen’ en [website 2], ‘verhuizen tijdens de kindertijd: patronen en gevolgen voor onderwijsuitkomsten’.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1503 en de uitspraken 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:424 en ECLI:NL:RVS:2021:425.