ECLI:NL:RBDHA:2024:23387
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor gezinshereniging broer en nichtje
Eiseressen, een zus en een nichtje van een referent met een verblijfsvergunning asiel, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om naar Nederland te komen voor gezinshereniging. De minister wees deze aanvragen af omdat de familierechtelijke relatie niet voldoende werd aangenomen en de belangenafweging in het nadeel van eiseressen en referent uitviel.
De rechtbank bevestigt dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres 1 en de referent, waardoor artikel 8 EVRM Pro van toepassing is, maar niet tussen eiseres 2 en de referent. Daarom was voor eiseres 2 geen belangenafweging vereist en kon de aanvraag worden afgewezen.
De rechtbank toetst de belangenafweging van de minister voor eiseres 1 en oordeelt dat deze zorgvuldig en gemotiveerd is uitgevoerd. De minister heeft het belang van een restrictief toelatingsbeleid en de economische belangen van Nederland zwaar laten wegen, mede vanwege het ontbreken van voldoende middelen van bestaan bij de referent en het ontbreken van eigen inkomen bij eiseres 1.
Hoewel er sprake is van gezinsleven, heeft de minister dit belang slechts licht gewogen, wat de rechtbank volgt gezien de omstandigheden van eiseres 1, haar eigen gezin en sterke banden met het land van herkomst. De rechtbank concludeert dat de weigering niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.