ECLI:NL:RBDHA:2024:4247
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense ontheemde met tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne
De zaak betreft een Turkse ontheemde die tijdelijk verblijfsrecht had in Oekraïne en zich op 9 juni 2022 in Nederland inschreef, waarna hij tijdelijke bescherming kreeg op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). De staatssecretaris legde hem een terugkeerbesluit op met ingang van 5 maart 2024, stellende dat zijn tijdelijke bescherming was geëindigd. De eiser voerde aan dat zijn bescherming verlengd moest worden tot 4 maart 2025 en dat hij als partner van een Oekraïense staatsburger recht had op voortzetting van de bescherming.
De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep, waaronder eiser valt, niet is verlengd door het Verlengingsbesluit van 19 oktober 2023. De bescherming eindigde derhalve van rechtswege op 4 maart 2024. De rechtbank volgt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitleg dat de facultatieve bepaling niet meer werd toegepast na 19 juli 2022 en dat de maximale duur van bescherming voor deze groep is bereikt.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als duurzame partner van een Oekraïense staatsburger gezinslid is volgens het Uitvoeringsbesluit. Ook is vastgesteld dat de staatssecretaris eiser ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het terugkeerbesluit, maar dat dit gebrek niet tot vernietiging leidt omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de tijdelijke bescherming eindigt per 4 maart 2024.