Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om verblijf bij zijn Nederlandse zoon en opheffing van een zwaar inreisverbod dat was opgelegd wegens ernstige misdrijven volgens artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden uit het arrest Chavez-Vilchez en dat hij een actuele bedreiging voor de openbare orde vormde.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte aannam dat de zoon onvoldoende afhankelijk was, wat inmiddels ook door de staatssecretaris is erkend. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser nog steeds een gevaar voor de openbare orde zou vormen en waarom weigering van verblijf evenredig is, mede gelet op het arrest Rendón Marín en het arrest K. en H.F. De rechtbank hecht beperkte waarde aan het door eiser overgelegde forensisch rapport vanwege onvolledigheid en onvoldoende onderbouwing.
Verder is de motivering van de staatssecretaris inzake de evenredigheidstoets gebrekkig, onder meer doordat onvoldoende rekening is gehouden met de zorgbehoefte van de zoon en de gezinssituatie. Ook is het terugkeerbesluit dat ten grondslag ligt aan het inreisverbod mogelijk onrechtmatig, wat nader moet worden onderzocht. De rechtbank wijst de staatssecretaris op de noodzaak om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen.
Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige redelijk zijn en voor vergoeding in aanmerking komen. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.