ECLI:NL:RVS:2022:3479
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- B. Meijer
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot opheffing inreisverbod wegens onvoldoende actuele bedreiging
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die het beroep van een vreemdeling tegen het afgewezen verzoek tot opheffing van een tienjarig inreisverbod gegrond verklaarde.
De vreemdeling werd het inreisverbod opgelegd vanwege een 1F-gedraging: een in 1997 gepleegde verkrachting van zijn zus, wat volgens het Vluchtelingenverdrag uitsluiting van vluchtelingenstatus rechtvaardigt. Hoewel de vreemdeling later verklaarde deze daad verzonnen te hebben, staat de toepassing van artikel 1F onbetwist vast.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling nog een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt, mede gezien het tijdsverloop van 22 jaar zonder nieuwe strafbare feiten. De staatssecretaris stelde dat de rechtbank het toetsingskader onjuist had toegepast, maar de Raad van State verwierp dit en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Raad van State veroordeelde de staatssecretaris tevens tot vergoeding van de proceskosten van €759,00 die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd.