ECLI:NL:RVS:2022:1274
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting Algerijnse vreemdeling binnen redelijke termijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een Algerijnse vreemdeling in bewaring wegens het niet opvolgen van een terugkeerbesluit en het risico op ontduiking van toezicht. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring. De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat gewijzigde omstandigheden, zoals de heropening van het luchtruim en medewerking van Algerijnse autoriteiten, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bieden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat hoewel er positieve ontwikkelingen zijn, zoals de behandeling van laissez-passer-aanvragen en een nieuwe consul, er nog steeds geen concrete aanwijzingen zijn dat vreemdelingen binnen een redelijke termijn kunnen worden uitgezet. De toezeggingen van de Algerijnse autoriteiten en de afgegeven nationaliteitsbevestigingen zijn onvoldoende om het ontbreken van laissez-passer te compenseren.
De Afdeling benadrukte dat de afgifte van een laissez-passer een doorslaggevende factor is voor het aannemen van zicht op uitzetting. De staatssecretaris heeft onvoldoende onderbouwd dat nationaliteitsbevestigingen automatisch leiden tot een tijdige uitzetting. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond verklaard en de proceskosten zijn aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.