ECLI:NL:RBDHA:2024:5371
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toewijzing transitievergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
De werknemer trad op 21 maart 2022 in dienst bij de werkgever als leerling-loodgieter/cv monteur. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werd beëindigd per 1 september 2023. De werknemer verzocht de kantonrechter om de werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, een wettelijke verhoging wegens te late betaling, wettelijke rente en proceskosten.
De werkgever heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. De kantonrechter oordeelde dat de transitievergoeding toekomt aan de werknemer en berekende deze op €1.557,-. De gevorderde wettelijke verhoging werd afgewezen omdat de transitievergoeding geen in geld vastgesteld loon is volgens artikel 7:625 BW Pro. De wettelijke rente werd toegekend vanaf 1 oktober 2023, één maand na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Het verzoek tot een verklaring voor recht dat de beëindiging volledig aan de werkgever te wijten is, werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, de wettelijke rente en de proceskosten van €290,-. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van €1.557,- met wettelijke rente en proceskosten, terwijl de wettelijke verhoging wordt afgewezen.