Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 9 juni 2022. De Staatssecretaris diende binnen zes maanden te beslissen, maar door een verlenging van de beslistermijn op grond van het besluit WBV 2022/22 liep de termijn tot 9 september 2023. Eiseres stelde de Staatssecretaris op 11 september 2023 in gebreke nadat geen besluit was genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Gezien het feit dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven, wordt een langere beslistermijn opgelegd volgens het 8+8- wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verweerder moet binnen acht weken na verzending van de uitspraak een eerste gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €218,75, vanwege de lichte aard van de zaak en het beperkte belang.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier D.D. Bijlhout op 25 januari 2024. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog te besluiten.