ECLI:NL:RBDHA:2024:7082
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht Unieburger en ongewenstverklaring wegens ernstige strafbare feiten
Eiser, een Unieburger met de Poolse nationaliteit, is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten waaronder zware mishandeling, vernieling, autodiefstal en gevaarlijk rijgedrag. Op grond hiervan heeft de staatssecretaris zijn EU-verblijfsrecht beëindigd en hem ongewenst verklaard. Eiser betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat hij een actuele bedreiging vormt en dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De strafrechtelijke veroordeling, het gevaarlijke verkeersgedrag en het feit dat de proeftijd van een voorwaardelijke straf nog loopt, ondersteunen deze conclusie. De rechtbank vindt dat de belangen van eiser, waaronder zijn recht op privé- en familieleven, zorgvuldig zijn afgewogen en dat het besluit niet onevenredig is.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van eiser terecht als kennelijk ongegrond is aangemerkt en dat de staatssecretaris niet verplicht was hem opnieuw te horen. Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht is niet-ontvankelijk omdat de ongewenstverklaring voortduurt. De rechtbank wijst het beroep tegen de ongewenstverklaring af en spreekt geen proceskostenveroordeling uit vanwege bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht niet-ontvankelijk.