ECLI:NL:RBDHA:2024:7298
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens ernstige misdrijven en oplegging inreisverbod
Eiser, van Dominicaanse nationaliteit, verblijft sinds 1992 in Nederland en had een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Na meerdere veroordelingen, waaronder een onherroepelijke gevangenisstraf van 9,5 jaar voor een woningoverval met dodelijke afloop, heeft de staatssecretaris zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd wegens gevaar voor de openbare orde.
Eiser betwist de rechtmatigheid van de intrekking en wijst op zijn langdurig verblijf, familiebanden in Nederland, positieve resocialisatie-inspanningen en medische beperkingen. De staatssecretaris stelt dat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser, mede gezien de ernst en herhaling van misdrijven.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de juiste wettelijke normen en de glijdende schaal uit het Vreemdelingenbesluit heeft toegepast. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro is zorgvuldig gemaakt, waarbij het familieleven met de zoon beperkt is en de impact van vertrek naar het buitenland niet disproportioneel wordt geacht.
De rechtbank wijst het beroep af omdat de staatssecretaris terecht een actuele en ernstige dreiging voor de samenleving heeft vastgesteld en de motivering van het inreisverbod voldoet aan de vereisten. Positieve ontwikkelingen in detentie en medische omstandigheden wegen niet op tegen het belang van de openbare orde.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.