ECLI:NL:RBDHA:2024:7629
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen vader en volwassen zoon
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn meerderjarige zoon, de referent, in Nederland te verblijven. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat er volgens hem geen sprake is van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, omdat de relatie tussen eiser en referent niet meer dan gebruikelijke emotionele, medische of financiële afhankelijkheid vertoont.
Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn hoge leeftijd en medische aandoeningen, waaronder suikerziekte en chronische hepatitis C, afhankelijk is van zorg en ondersteuning van referent. Tevens stelde hij dat de situatie van zijn gemeenschap in Pakistan hem extra afhankelijk maakt van zijn zoon. Verweerder stelde echter dat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet zelfstandig kan functioneren zonder referent en dat hij ook zorg ontvangt van een vriend van referent in Pakistan.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. De emotionele band is niet uitzonderlijk en de medische en financiële afhankelijkheid onvoldoende onderbouwd. Ook is de belangenafweging van verweerder, waarbij de belangen van eiser zijn afgewogen tegen het Nederlandse toelatingsbeleid en de positie van de referent, zorgvuldig en niet onevenwichtig. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.