ECLI:NL:RBDHA:2024:7808
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring wegens misbruik van recht bij aanvraag verblijfsdocument EU/EER afgewezen
Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld. Hij stelde dat hij op 5 mei 2024 een aanvraag om een verblijfsdocument EU/EER heeft ingediend, waardoor hij procedureel rechtmatig verblijf zou hebben en de bewaring onrechtmatig is geworden.
De staatssecretaris betoogde dat sprake is van misbruik van recht omdat eiser geen stukken ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft ingediend, wisselende verklaringen gaf over zijn relatie met een Nederlands kind, en de aanvraag pas weken na de geboorte van het kind indiende. De rechtbank oordeelt dat het feit dat een voorzieningenprocedure loopt niet verhindert dat de bewaringsrechter kan toetsen op misbruik van recht.
De rechtbank past het door het Hof van Justitie van de EU ontwikkelde tweeledige criterium toe: objectief moet blijken dat het doel van de regeling niet wordt bereikt en subjectief dat de aanvrager de regeling kunstmatig gebruikt om voordelen te verkrijgen. Hieruit volgt dat eiser geen daadwerkelijke bescherming van Unierechten nodig heeft en de aanvraag slechts is bedoeld om invrijheidsstelling te verkrijgen.
Daarom kan de staatssecretaris het voordeel van procedureel rechtmatig verblijf met terugwerkende kracht ontzeggen vanaf de datum van indiening van de aanvraag. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard wegens misbruik van recht.