ECLI:NL:RBDHA:2024:8329
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroepen tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening
Eisers, van Moldavische nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van de staatssecretaris die hun asielaanvragen niet in behandeling nam omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. De rechtbank heeft op 27 mei 2024 de beroepen behandeld en beoordeelt dat eisers onvoldoende bewijs hebben geleverd dat zij langer dan drie maanden aaneengesloten buiten het EU-grondgebied verbleven, omdat zij weigerden hun paspoorten voor onderzoek te overleggen.
Verder oordeelt de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland van toepassing is, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het Duitse asiel- en opvangsysteem tekortkomingen vertoont die een risico op schending van fundamentele rechten opleveren. Ook het beroep op indirect refoulement en het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand faalt.
Ten aanzien van de scheiding van familieleden oordeelt de rechtbank dat de Dublinverordening en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) niet verhinderen dat familieleden gescheiden worden, zeker niet als er geen uitzonderlijk feitencomplex is aangetoond. De mantelzorg en familiebanden zijn onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en handhaaft de besluiten van de staatssecretaris. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen-Telman en griffier Y. van Wijk.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.