Eiser heeft op 3 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De staatssecretaris heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden wegens een groot aantal aanvragen, een besluit genomen. Eiser stelde de staatssecretaris op 6 februari 2024 in gebreke en diende op 28 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op 3 februari 2024 is verstreken en dat het beroep tijdig is ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een rechterlijke dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €7.500, opgelegd voor elke dag dat de staatssecretaris de termijn overschrijdt.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet, evenals relevante jurisprudentie.