Eiser heeft op 25 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, die met negen maanden was verlengd, stelde eiser de staatssecretaris op 29 januari 2024 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Vervolgens diende eiser op 15 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Op grond van de jurisprudentie wordt een rechterlijke dwangsom opgelegd en wordt bepaald dat de staatssecretaris binnen zestien weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. De dwangsom bedraagt € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en op basis van de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet.