Eiser heeft op 22 oktober 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden wegens een groot aantal aanvragen, een besluit genomen. Eiser stelde de staatssecretaris op 2 februari 2024 schriftelijk in gebreke en diende op 28 februari 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op 22 januari 2024 is verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, mede gelet op het reeds gehouden nader gehoor.
De rechtbank wijst het verzoek om een bestuurlijke dwangsom af, maar legt een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- voor elke dag overschrijding van de termijn. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50.