ECLI:NL:RBDHA:2024:8930
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na opvolgende aanvraag
Eiser, van Sri Lankaanse nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerste in 2015 werd afgewezen. Na opvolgende aanvragen en diverse procedures heeft de staatssecretaris uiteindelijk bij besluit van 2 april 2024 een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van 12 december 2018.
Eiser betwist de ingangsdatum en stelt dat deze terug moet gaan tot de eerste aanvraag in 2015, mede omdat eerdere afwijzingen onjuist zouden zijn en de staatssecretaris afstand heeft genomen van eerdere overwegingen. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de verblijfsvergunning wordt verleend vanaf de datum waarop de aanvraag is ontvangen die aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder.
Omdat eiser geen verzoek om bestuurlijke heroverweging heeft gedaan en pas met de opvolgende aanvraag nieuwe documenten heeft overgelegd, is de ingangsdatum van 12 december 2018 terecht vastgesteld. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat zij onbevoegd is om te oordelen over de vaststelling van de rechterlijke dwangsom, omdat dit geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de rechtbank wijst kostenvergoedingen af.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard en de rechtbank is onbevoegd over het beroep tegen de vaststelling van de rechterlijke dwangsom.