Uitspraak
Bestuursrecht
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Den Haag
Eisers, Syriërs met minderjarige kinderen, dienden asielaanvragen in Nederland in nadat zij eerder in Kroatië een asielverzoek hadden gedaan. De staatssecretaris nam hun aanvragen niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Eisers voerden aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege systematische mensenrechtenschendingen en slechte opvang in Kroatië, ondersteund door persoonlijke ervaringen en rapporten.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mede gelet op een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Eisers slaagden er niet in het vermoeden van correcte naleving door Kroatië te weerleggen met objectieve aanknopingspunten. Ook de medische en persoonlijke omstandigheden van eisers en hun kinderen rechtvaardigen volgens de rechtbank geen uitzondering.
Echter, de rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd heeft waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvragen onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De belangen van de kinderen, de familiebanden in Nederland en de eerdere ervaringen in Kroatië zijn niet in onderlinge samenhang beoordeeld. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit en draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van proceskosten van €1.750 aan eisers.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.