ECLI:NL:RBDHA:2024:9197
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk op grond van Dublinverordening
Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, diende op 30 september 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in samenhang met de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. Nederland had op 24 november 2023 een verzoek tot overname gestuurd aan Frankrijk, dat dit op 22 januari 2024 accepteerde.
Eiseres voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat sprake zou zijn van een standaardvoornemen dat niet voldeed aan de vereisten, dat haar ten onrechte geen bedenktijd was gegund in verband met haar aangifte mensenhandel, en dat de overdracht aan Frankrijk zou leiden tot schending van haar rechten op grond van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest. De rechtbank oordeelde dat het standaardvoornemen voldeed en dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om te reageren.
De rechtbank stelde vast dat de kwestie van bedenktijd betrekking heeft op een andere procedure en dat eiseres niet is benadeeld doordat formeel geen bedenktijd werd verleend. Ook kon verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, ondanks de gestelde kwetsbaarheid van eiseres als mogelijk slachtoffer van mensenhandel.
Ten slotte concludeerde de rechtbank dat er geen sprake was van willekeur bij de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.