ECLI:NL:RBDHA:2024:9437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
NL24.7266
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 42 lid 6 VwWBV 2022/22
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij asielaanvraag

Eiser heeft op 26 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft aanvankelijk onderzocht of Duitsland verantwoordelijk was voor de aanvraag, maar heeft op 1 december 2022 bevestigd dat de aanvraag in de nationale procedure wordt behandeld. Hierdoor begon de wettelijke beslistermijn van zes maanden op 1 december 2022, die door een verlenging van negen maanden op grond van WBV 2022/22 is verlengd tot 1 maart 2024.

Eiser heeft de staatssecretaris op 5 december 2023 schriftelijk in gebreke gesteld, terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken. Volgens artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een beroepschrift pas worden ingediend nadat het bestuursorgaan in gebreke is gesteld en twee weken zijn verstreken. Omdat de ingebrekestelling prematuur was, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig is bevonden en ziet geen reden om daarvan af te wijken. Ook acht zij het niet nodig om de zaak aan te houden in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het uitblijven van een besluit op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7266

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.J. Riesebos),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

Eiser heeft op 26 februari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing
van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit
met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het
beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een
besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling
door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft op 26 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft in eerste instantie onderzocht of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen, omdat hij vermoedde dat Duitsland verantwoordelijk was voor de aanvraag. Op 1 december 2022 heeft de staatssecretaris eiser bericht dat zijn aanvraag (in beginsel) alsnog behandeld zal worden in de nationale procedure, nadat Duitsland het terugnameverzoek heeft afgewezen.
3. Uit artikel 42, zesde lid van de Vw [2] volgt dat de staatssecretaris vanaf die datum verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van eiser op 1 juni 2023 eindigen. De staatssecretaris heeft met de inwerkingtreding van WBV 2022/22 [3] de beslistermijn met ingang van 27 september 2022 verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser pas op 1 maart 2024 is geëindigd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 [4] geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. De omstandigheid dat de Afdeling [5] prejudiciële vragen heeft gesteld [6] aan het Hof [7] , vormt geen aanleiding om de zaak aan te houden tot het Hof die vragen heeft beantwoord.
4. Eiser heeft de staatssecretaris op 5 december 2023 schriftelijk in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Daarom is het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000
3.besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
6.verwijzingsuitspraak 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125
7.Hof van Justitie van de Europese Unie