ECLI:NL:RBDHA:2024:982
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding na intrekking overdrachtsbesluit in Dublinprocedure
Verzoeker heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzocht om opname in de nationale asielprocedure, nadat hij was geconfronteerd met een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening. Nadat de Staatssecretaris aanvankelijk weigerde, stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de procedure trok de Staatssecretaris het overdrachtsbesluit in en stemde in met opname van verzoeker in de nationale procedure, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank onderzocht of de mededelingen van de Staatssecretaris als besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht konden worden aangemerkt. De brief van 3 oktober 2023 en de mededeling aan de Bulgaarse autoriteiten werden niet als besluiten beschouwd, omdat zij niet uit een publiekrechtelijke rechtshandeling voortvloeiden. Wel werd het bestuurlijk rechtsoordeel van de Staatssecretaris gelijkgesteld aan een appellabel besluit, waardoor de rechtbank bevoegd was kennis te nemen van het beroep.
De rechtbank concludeerde dat de Staatssecretaris aan verzoeker was tegemoetgekomen door het overdrachtsbesluit in te trekken en de asielaanvraag alsnog te behandelen. Daarom werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €1.750,- voor rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door rechter R.H. van Marle op 25 januari 2024.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ad €1.750,- na intrekking van het overdrachtsbesluit.