ECLI:NL:RVS:2023:4197
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens verstreken Dublin-overdrachtstermijn bij asielaanvraag
De zaak betreft een vreemdeling die op 13 mei 2021 een asielaanvraag in Nederland indiende. Nederland vroeg Duitsland op 26 mei 2021 om de vreemdeling terug te nemen, wat Duitsland op 4 juni 2021 accepteerde. De overdrachtstermijn van zes maanden liep hierdoor af op 4 december 2021. De staatssecretaris nam de asielaanvraag van de vreemdeling bij besluit van 8 oktober 2021 niet in behandeling, omdat Duitsland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening.
De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening die overdracht zou opschorten. De rechtbank wees dit af op 3 november 2021, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak kende op 1 december 2021 een voorlopige voorziening toe die overdracht tijdelijk verbood.
Het Hof van Justitie oordeelde op 30 maart 2023 dat een voorlopige voorziening in hoger beroep alleen de overdrachtstermijn kan opschorten indien de uitvoering van het overdrachtsbesluit in eerste aanleg al was opgeschort. De Afdeling bestuursrechtspraak paste dit arrest toe en concludeerde dat de voorlopige voorziening in hoger beroep op verzoek van de vreemdeling niet leidt tot opschorting van de overdrachtstermijn als in eerste aanleg geen opschorting was. Hierdoor was de overdrachtstermijn op 4 december 2021 verstreken en werd Nederland verantwoordelijk voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, aangezien de vreemdeling bereikt had dat zijn aanvraag alsnog in behandeling werd genomen. De staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft verstrekkende gevolgen voor de praktijk en kan leiden tot aanpassing van procedures of wetgeving om patstellingen te voorkomen.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de Dublin-overdrachtstermijn is verstreken en de voorlopige voorziening in hoger beroep niet tot opschorting leidt.