ECLI:NL:RBDHA:2025:10154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
11 juni 2025
Zaaknummer
NL25.2515
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArtikel 3 EVRMArtikel 4 HandvestArtikel 8:54 Algemene wet bestuursrechtArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toepasbaar is vanwege zijn ervaringen in Frankrijk, waaronder gebrek aan opvang en medische zorg, en verwees naar het AIDA-rapport 2023.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende concreet bewijs heeft geleverd dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen structureel niet nakomt. De enkele stellingen en het rapport zijn onvoldoende om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. Ook de medische klachten en homoseksuele geaardheid van eiser leiden niet tot het oordeel dat hij een bijzondere kwetsbare persoon is zoals bedoeld in het Tarakhel-arrest.

De rechtbank stelt dat de minister terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat eiser mag worden overgedragen aan Frankrijk. Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de asielzoeker mag worden overgedragen aan Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2515

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 17 januari 2025 de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat
Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op dit verzoek wordt apart beslist. [1]
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Beroepsgronden
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, en dat in zijn geval, gelet op zijn ervaringen aldaar, ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser stelt dat hij in Frankrijk volledig aan zijn lot is overgelaten. Volgens eiser heeft hij van overheidswege geen enkele opvang, financiële ondersteuning of medische zorg ontvangen, en heeft hij zijn medische behandelingen zelf moeten bekostigen. Deze ervaringen vinden volgens eiser steun in het AIDA-rapport van 24 mei 2024 (2023-update). Daaruit blijkt dat sprake is van een toenemend tekort aan opvangplaatsen voor asielzoekers in Frankrijk. Verder blijkt uit het rapport dat volwassen asielzoekers gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf slechts aanspraak kunnen maken op acute medische zorg, en geen toegang hebben tot reguliere medische zorg. Eiser stelt dat hij, als Dublin-terugkeerder, eveneens met deze beperkingen zal worden geconfronteerd.
5.1.
Verder voert eiser aan dat hij, gelet op zijn homoseksuele geaardheid en medische klachten, moet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbare persoon in de zin van het arrest
Tarakhel. [4] Ter onderbouwing van zijn medische klachten heeft eiser een medisch dossier van 7 mei 2025 overgelegd.
Mocht de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in het algemeen vanuit gaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. [5] Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Bijvoorbeeld door tekortkomingen in de asielprocedure, opvang of de medische zorg. Daarvan zal pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat ten aanzien van Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De enkele, niet nader onderbouwde stellingen van eiser over zijn ervaringen in Frankrijk, alsmede de verwijzing naar het AIDA-rapport, zijn daartoe onvoldoende. In haar uitspraak van 9 oktober 2023 heeft de Afdeling [6] geoordeeld dat uit het AIDA-rapport over 2022 weliswaar kan worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen zo structureel en ernstig zijn dat bij een overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. [7] De Afdeling heeft in haar uitspraken van 30 augustus 2024 en 3 oktober 2024 geoordeeld dat het meest recente AIDA-rapport, waarnaar eiser heeft verwezen, geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie, die bij de voorgaande uitspraak is betrokken, naar voren is gekomen. [8] Gelet hierop wordt eiser niet gevolgd in zijn beroepsgrond dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op de informatie in het AIDA-rapport, en ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek.
Is er sprake van bijzondere kwetsbaarheid?
7. In het Tarakhel-arrest heeft het EHRM [9] overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. [10] Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzondere kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. [11] Verder ligt de bewijslast dat er sprake is van betreffende bijzondere kwetsbaarheid bij de vreemdeling. [12]
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiser sprake is van bijzondere kwetsbaarheid zoals bedoeld in het arrest
Tarakhel. De rechtbank overweegt dat uit het overlegde patiëntendossier blijkt dat eiser kampt met maagklachten – waarbij eerder een Helicobacter pylori-infectie (HP-positief) is vastgesteld – alsmede met tintelingen in vingers, voeten en tenen en een vitaminegebrek. Deze medische klachten vormen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing om aan te nemen dat eiser als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat eiser stelt homoseksueel te zijn, vormt hiervoor onvoldoende onderbouwing. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen zorg- en opvangvoorzieningen zal ontvangen in Frankrijk, en hij evenmin nader heeft geconcretiseerd welke aanvullende garanties of speciale bescherming in zijn geval nodig is. Daarnaast hebben de Franse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Mocht eiser toch geconfronteerd worden met tekortkomingen, dan is het aan eiser om bij de (hogere) Franse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat eiser dit niet kan of dat de Franse autoriteiten hem niet kunnen en/of willen helpen.
Moet de minister de asielaanvraag in behandeling nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
8. Uitgaande van de terughoudende toets is de rechtbank van oordeel, dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Er mag op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit worden gegaan dat eiser in Frankrijk toegang heeft tot opvang en medische zorg en dat de medische zorg van een vergelijkbaar niveau is als in Nederland. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd, ook niet door overlegging van het patiëntendossier, dat zijn medische klachten het gevolg zijn van een gebrek aan opvang of het onthouden van medische zorg in Frankrijk.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Frankrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en gepubliceerd op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.2516.
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:816), de uitspraak van 16 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1256) en meer recentelijk de uitspraak van 27 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2625).
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552; en 3 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4011.
9.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
10.Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806.
12.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223.