ECLI:NL:RBDHA:2025:10439

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
NL25.17820
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 6 DublinverordeningArtikel 7 DublinverordeningArtikel 9 DublinverordeningArtikel 10 DublinverordeningArtikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 11 juni 2025 behandeld. Eiser stelde dat het dossier onvolledig was bij het uitbrengen van het voornemen, dat het voornemen onvoldoende gemotiveerd was en dat de Dublinclaim aan Frankrijk niet rechtsgeldig was vanwege het ontbreken van informatie over zijn minderjarige zoon die in Zweden verblijft. Tevens voerde eiser aan dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot indirect refoulement en schending van internationale mensenrechten.

De rechtbank oordeelt dat het dossier tijdig en voldoende compleet was, het voornemen aan de motiveringsvereisten voldoet en dat het verblijf van de zoon in Zweden geen invloed heeft op de verantwoordelijkheid van Frankrijk. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Frankrijk zouden verhinderen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17820

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 15 april 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, [1] op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Ontbreken loopbrief in digitale dossier
5. Eiser voert aan dat de minister de loopbrief niet in het dossier heeft gezet voordat het voornemen was uitgebracht. Daarmee was het dossier niet compleet bij het indienen van de zienswijze en kon niet worden vastgesteld of de Dublinclaim al dan niet tijdig is verzonden en of die Dublinclaim rechtmatig was. Eiser stelt hierdoor geschaad te zijn in zijn recht op effectieve rechtsbijstand in de voornemenprocedure.
6. De minister benadrukt dat de loopbrief is meegezonden met het bestreden besluit van 15 april 2025. De minister wijst er verder op dat het claimverzoek tijdig is verzonden en dat eiser met deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad.
7. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de loopbrief tegelijk met het bestreden besluit van 15 april 2025 aan het digitale dossier toegevoegd en daarmee het dossier gecomplementeerd. Eiser heeft evenwel op basis van de in het dossier al wel aanwezige Eurodac-treffer en het verzoek om terugname wel degelijk ten tijde van het voornemen kunnen vaststellen dat de minister het verzoek om terugname tijdig heeft gedaan. Eiser heeft dat ook niet betwist. Dat de loopbrief ten tijde van het voornemen ontbrak doet dan ook niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat hij is geschaad in zijn recht op effectieve rechtsbijstand.
Standaard voornemen
8. Eiser voert aan dat het voornemen geen op de persoon toegespitste motivering bevat, waardoor het voornemen niet deugdelijk gemotiveerd is en niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De minister ontneemt eiser daarmee de mogelijkheid om in de zienswijze argumenten aan te dragen waarom de minister zou moeten overgaan tot het gebruikmaken van de discretionaire bevoegdheid. Eiser wijst op een uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 december 2023 [3] en uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2024 en
28 augustus 2024. [4]
9. De minister stelt zich op het standpunt dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet.
10. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser uit het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2023 [5] en 11 april 2025 [6] en ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Is de Dublinclaim aan Frankrijk rechtsgeldig in verband met eisers minderjarige kind?
11. Eiser voert aan dat de Dublinclaim van 18 januari 2025 aan de Franse autoriteiten niet rechtsgeldig is, omdat daarin niet alle feiten en omstandigheden vermeld staan die van belang zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat. In de Dublinclaim staat namelijk niet vermeld dat eiser met zijn minderjarige zoon asiel heeft aangevraagd in Zweden in 2015, 2022 en 2023. Ook staat niet in de Dublinclaim vermeld dat de minderjarige zoon van eiser nog steeds in Zweden verblijft.
11.1.
Eiser stelt ook dat Zweden verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag, omdat zijn minderjarige zoon daar verblijft. Eiser beroept zich op artikel 9 of Pro 10 van de Dublinverordening, afhankelijk van de vraag of zijn zoon rechtmatig verblijf heeft in Zweden. Overdracht aan Frankrijk is volgens eiser dan ook in strijd met het belang van het kind en het belang van de eenheid van het gezin. Eiser wijst hierbij op de artikelen 6 en 7, derde lid, van de Dublinverordening.
12. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat in eerste instantie een claimverzoek is ingediend bij Zweden. Deze claim werd afgewezen onder verwijzing naar de verantwoordelijkheid van Frankrijk, omdat Frankrijk eiser niet binnen de Dublintermijn had overgedragen aan Zweden. In eisers geval is sprake van een terugnamesituatie, waardoor de artikelen uit hoofdstuk III van de Dublinverordening niet langer van toepassing zijn. De uitzondering in het H.R.-arrest is ook niet van toepassing. Daarom bestond er volgens de minister geen aanleiding om de Franse autoriteiten te berichten over de (gestelde) aanwezigheid van eisers zoon in Zweden. Deze informatie was immers niet van belang voor Frankrijk om de eigen verantwoordelijkheid vast te kunnen stellen.
12.1.
De minister wijst er vervolgens op dat eisers (gestelde) zoon geen asielverzoek heeft ingediend in Nederland en hier ook niet verblijft. Uit eisers verklaringen volgt verder dat hij niet de zorg over zijn gestelde zoon draagt, want zijn zoon verblijft volgens eiser bij een ander gezin. Ook zou eiser zijn zoon al zes jaar niet hebben gezien. De belangen van eisers zoon spelen dan ook geen rol bij de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat. Daar komt bij dat eiser zelf heeft verklaard dat hij meermaals het land waar zijn zoon zou verblijven, heeft verlaten. Eiser heeft bovendien ook in andere landen een asielverzoek ingediend zonder zijn (gestelde) zoon.
13. De beroepsgrond slaagt niet. Uit het systeem van de Dublinverordening volgt dat als sprake is van een terugnamesituatie, een vreemdeling in beginsel in de tweede lidstaat geen beroep kan doen op een hoofdstuk III-criterium. [7] Uit de stukken blijkt dat Frankrijk het verzoek van eiser om internationale bescherming inhoudelijk in behandeling heeft genomen en het terugnameverzoek heeft aanvaard. Aan een (nieuwe) beoordeling van de verantwoordelijkheid in deze procedure komt de rechtbank dan niet toe. Dit is alleen anders als een vreemdeling zijn in de ene lidstaat ingediende asielverzoek (impliciet) intrekt terwijl daar de procedure tot het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat nog niet is afgerond of als uit de verstrekte informatie duidelijk blijkt dat die tweede lidstaat als gevolg van het verantwoordelijkheidscriterium moet worden beschouwd als de verantwoordelijke lidstaat (de uitzondering uit het H.R.-arrest [8] ). De rechtbank volgt de motivering van de minister dat zich in dit geval een terugname situatie voordoet en dat eiser niet onder een uitzonderingssituatie valt. Daarmee slaagt eisers beroep op de artikelen 7 t/m 9 (van hoofdstuk III) van de Dublinverordening niet. De rechtbank concludeert dat het verblijf van eisers gestelde zoon in Zweden geen invloed kon hebben op de verantwoordelijkheid van Frankrijk en daarom ook niet in de Dublinclaim vermeld hoefde te worden. [9]
14. Dat de overdracht in strijd zou zijn met het belang van het kind, volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft immers zijn band met zijn zoon niet onderbouwd. Bovendien heeft eiser verklaard al zes jaar geen contact met zijn zoon te hebben gehad en ook dat zijn zoon bij een ander gezin verblijft. De rechtbank ziet niet in op welke manier de belangen van het kind meegewogen hadden moeten worden bij het overdrachtsbesluit aan Frankrijk.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen en artikel 17 Dublinverordening Pro?
15. Eiser voert aan dat overdracht aan Frankrijk in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [10] en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. [11] Eiser stelt dat de minister geen onderzoek heeft verricht bij de Franse autoriteiten of eiser daadwerkelijk zal worden toegelaten tot het grondgebied en tot de asielprocedure. Eiser wijst erop dat hij in Frankrijk een afwijzing heeft gekregen van zijn asielaanvraag. Als hij wordt overgedragen aan Frankrijk, zal hij wederom een afwijzing krijgen en zal hij worden uitgezet naar Iran. Bij overdracht aan Frankrijk zal daarom sprake zijn van indirect refoulement. Daarbij komt dat eiser tijdens zijn verblijf in Frankrijk uit de opvang werd gezet en op straat moest verblijven, waarbij hij verstoken is gebleven van sociale voorzieningen. Daarnaast stelt eiser dat hij psychische klachten heeft. Hij slaapt slecht, piekert veel, heeft stress en hoort stemmen. Eiser verwijst naar het medisch patiëntendossier van het GZA. Eiser beroept zich hierbij ook op artikel 17 van Pro de Dublinverordening en stelt dat deze bijzondere individuele omstandigheden ertoe leiden dat hij niet overgedragen kan worden aan Frankrijk.
16. De minister stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze onderbouwd dat hij geen opvang kreeg in Frankrijk of dat zijn rechten op andere wijze zijn aangetast. Met betrekking tot eisers medische omstandigheden mag ervan uit worden gegaan dat Frankrijk dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en dat eiser dus in Frankrijk net zo goed kan worden behandeld voor zijn medische problemen. Verder merkt de minister op dat niet is aangetoond dat eisers asielverzoek in Frankrijk is afgewezen. Uit het claimakkoord blijkt immers dat sprake is van een lopende procedure, omdat het akkoord is afgegeven op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Bovendien stelt de minister dat het enkele gegeven dat een verzoek zou zijn afgewezen, niet maakt dat de procedure in strijd met de internationale verplichtingen is geweest. De minister volgt eiser ook niet in zijn betoog dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk toegang zal hebben tot Frankrijk en de asielprocedure. Met het claimakkoord hebben de Franse autoriteiten immers gegarandeerd dat zij eisers aanvraag in overeenstemming met de verplichtingen in behandeling zullen nemen. Voor nader onderzoek bestond geen aanleiding. De minister stelt zich ten slotte op het standpunt dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat een overdracht aan Frankrijk getuigt van een onevenredige hardheid.
17. De minister mag in beginsel ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel; dit is meermaals bevestigd door de Afdeling. [12] Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat in zijn geval niet van dit beginsel kan worden uitgegaan.
17.1.
De rechtbank oordeelt dat eiser daarin niet is geslaagd. Eiser heeft zijn betoog over het gebrek aan opvang en sociale voorzieningen in Frankrijk niet met stukken onderbouwd. Daarnaast heeft hij ook niet gesteld of onderbouwd dat hij in Frankrijk geen behandeling zou kunnen krijgen voor zijn medische problemen. Eisers gestelde vrees voor indirect refoulement leidt er ook niet toe dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank volgt namelijk de motivering van de minister dat een eventuele afwijzing van een asielaanvraag niet meteen betekent dat deze procedure niet in overeenstemming is geweest met de internationale verplichtingen. Uit het claimakkoord blijkt daarnaast de toezegging van de Franse autoriteiten om eiser toe te laten tot de asielprocedure in Frankrijk. Bovendien moet eisers betoog dat Frankrijk handelt in strijd met de asielrichtlijnen, worden ingebracht en beoordeeld in Frankrijk. Dat het voor eiser niet mogelijk zou zijn om in Frankrijk te klagen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
18. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft niet voldoende toegelicht waarom de door hem aangedragen omstandigheden leiden tot onevenredige hardheid bij overdracht aan Frankrijk.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.17821.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zaaknummers NL24.16616 en NL24.16619, NL24.25208.
8.ECLI:EU:C:2019:280
9.Artikel 23, vierde lid, Dublinverordening.
10.Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
11.Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.
12.Zie onder meer de uitspraken van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1318, 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, 18 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2472, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, en 3 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4011.