Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 12 november 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling op grond van artikel 30 Vreemdelingenwet Pro, omdat Tsjechië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Uit Eurodac bleek dat eiser in 2018 al een verzoek tot bescherming in Tsjechië had ingediend.
Eiser voerde aan dat in Tsjechië sprake is van extremistisch geweld en discriminatie tegen migranten, en dat hij vreest voor overdracht. Tevens stelde hij dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro aan zich had moeten trekken wegens onevenredige hardheid. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.
De rechtbank stelde vast dat eiser in het aanmeldgehoor verklaarde geen bezwaar te hebben tegen overdracht en dat hij in Tsjechië de mogelijkheid heeft gehad zijn asielrelaas naar voren te brengen. De discretionaire bevoegdheid van verweerder om de aanvraag aan zich te trekken werd niet geactiveerd, omdat de stellingen van eiser onvoldoende waren onderbouwd.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 29 januari 2025, zonder zitting.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.