ECLI:NL:RBDHA:2025:10568

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
NL24.47768
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:9 AwbArt. 66a VwArt. 62 VwArt. 6.5 VbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zwaar inreisverbod wegens gevaar voor openbare orde ondanks medische omstandigheden

Eiser, een Algerijnse asielzoeker met een strafblad en een ISD-maatregel, kreeg een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hij stelde zich op het standpunt dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid, dat zijn individuele omstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat het inreisverbod in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken en dat het niet horen van eiser in persoon niet leidde tot een onzorgvuldig besluit. De minister had het besluit voldoende gemotiveerd en had het totaal van eisers gedragingen betrokken bij het opleggen van het inreisverbod.

De rechtbank vond dat de minister terecht had geoordeeld dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en dat de medische en psychische omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd om van het inreisverbod af te zien of de duur te verkorten. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde wegens gebrek aan concrete onderbouwing van familie- en sociale banden in Nederland.

Het eerdere terugkeerbesluit bleef geldig en er was geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Algerije. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het inreisverbod bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het tienjarige inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47768

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het inreisverbod voor tien jaar dat de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich op het standpunt kon stellen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Daarom is het beroep ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis en procesverloop

2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft op 12 maart 2022 in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juli 2022 buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen voor het nader gehoor en het COa de minister heeft laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft aan eiser ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaren opgelegd. Bij uitspraak van 6 oktober 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep van eiser ongegrond verklaard. [1]
3. Op 1 december 2022 heeft eiser voor de tweede keer in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft ook deze aanvraag buiten behandeling gesteld; dit keer omdat eiser zich na afloop van zijn strafrechtelijke detentie niet heeft gemeld bij de autoriteiten. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.
4. De meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam heeft eiser op 10 augustus 2023 veroordeeld tot plaatsing voor de duur van twee jaar in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel).
5. Op 10 juli 2024 heeft de minister eiser laten weten dat hij voornemens is om aan hem een zwaar inreisverbod op te leggen. Eiser heeft schriftelijk zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt.
6. In het bestreden besluit van 6 november 2024 heeft de minister het inreisverbod voor de duur van twee jaren opgeheven en in plaats daarvan aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. De minister heeft verder overwogen dat het terugkeerbesluit van 27 juli 2022 nog steeds geldig is.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 op zitting behandeld, samen het verzoek om een voorlopige voorziening. [2] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
9. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
De verwijzing naar de zienswijze
10. Eiser verzoekt allereerst om alles wat in de zienswijze naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.
11. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende toegelicht op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist is en waarom. Dit kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank bespreekt daarom hieronder alleen de overige gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Horen van eiser
12. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord voordat de minister aan eiser een inreisverbod en terugkeerbesluit oplegde. Eiser heeft in de zienswijze namelijk verzocht om een hoorzitting. Op de zitting heeft eiser in dit kader gewezen op artikel 4:9 van Pro de Awb. [3] Daaruit volgt volgens eiser dat de minister hem de keuze had moeten geven om mondeling of schriftelijk te worden gehoord. De minister had eiser ook op deze keuzemogelijkheid moeten wijzen. Eiser is een kwetsbaar persoon en voor hem was het beter geweest als hij zijn belangen mondeling naar voren had kunnen brengen.
13. De beroepsgrond slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bij brief van 10 juli 2024 in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk zijn reactie kenbaar te maken en dat eiser met behulp van zijn gemachtigde op 6 augustus 2024 van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Eiser heeft zijn zienswijze, na een verzoek om uitstel, op 4 november 2024 verder aangevuld. Eiser heeft in de zienswijze en in de beroepsgronden niet toegelicht waarom het indienen van een schriftelijke zienswijze, in combinatie met de latere aanvulling daarvan, voor hem niet voldoende was zodat hij ook in persoon gehoord moest worden. Ook op de zitting heeft eiser niet onderbouwd dat hij door de schriftelijke zienswijze zijn individuele omstandigheden niet voldoende naar voren heeft kunnen brengen. De enkele stelling dat eiser een kwetsbaar persoon is, is daarvoor niet voldoende. Daarom leidt de omstandigheid dat eiser niet in persoon is gehoord niet tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. [4] De rechtbank volgt niet eisers stelling dat de minister hem had moeten informeren over de mogelijkheid voor een belanghebbende om ervoor te kiezen de zienswijze op het voornemen schriftelijk of mondeling te geven. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd. Uit de tekst of wetsgeschiedenis van artikel 4:9 van Pro de Awb blijkt deze verplichting bovendien niet.
Het inreisverbod
14. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd. Eiser heeft relatief lichte strafbare feiten begaan en heeft daarvoor geen erg zware straffen gekregen. De minister heeft ten onrechte alleen gekeken naar het feit dat een ISD-maatregel is opgelegd en niet alle feiten en omstandigheden bij de beoordeling betrokken. De motivering in het bestreden besluit dat eiser Nederland als roofterrein zou beschouwen, verdraagt zich volgens eiser niet met de feiten. Eiser heeft bovendien te kampen met obesitas, psychische problemen, doet aan zelfmutilatie en heeft het erg zwaar in detentie. Hij gebruikt veel medicatie en heeft veel pijn. Uit informatie van de psycholoog van eiser blijkt dat het vermoeden bestaat dat eiser een licht verstandelijke beperking heeft. Eiser voert primair aan dat de minister gelet op deze omstandigheden wegens klemmende humanitaire redenen had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod. Subsidiair voert eiser aan dat de minister een inreisverbod voor een kortere duur had kunnen opleggen.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [5] in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan aan de vreemdeling een inreisverbod worden opgelegd wanneer deze geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde. Uit artikel 6.5 vijfde lid, onder b, van het Vb [6] volgt dat dit inreisverbod kan worden opgelegd voor de duur van tien jaar wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid.
16. Uit de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2015 [7] en van 2 juni 2016 [8] in samenhang met het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., [9] volgt dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod, voor de duur van meer dan vijf jaar, minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister moet bij de beoordeling of daarvan sprake is alle feitelijke en juridische gegevens betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit.Het gaat dan onder meer om de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. De minister moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit.
17. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank volgt eisers stelling niet, dat de minister het inreisverbod uitsluitend heeft gebaseerd op de ISD-maatregel die aan eiser opgelegd. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op het totaal van eisers gedragingen. De minister heeft daarbij kunnen overwegen dat eiser een strafblad heeft dat laat zien dat hij geen respect heeft voor de wet- en regelgeving in Nederland en voor degenen die deze moeten handhaven. Eiser is kort na binnenkomst in Nederland begonnen met het plegen van strafbare feiten. Er is sprake van veelvuldige recidive en eiser toont zich ongevoelig voor veroordeling en straf. Verder heeft de minister bij de beoordeling kunnen betrekken dat eiser door diefstal en heling laat zien geen respect te hebben voor andermans eigendom en niet stilstaat bij de nadelige gevolgen voor slachtoffers en samenleving. Tot slot heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank kunnen overwegen dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden waarin eiser tot zijn daden komt of zijn normbesef dusdanig positief zijn gewijzigd dat niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. Eiser heeft niet gesteld of gemotiveerd dat dat wel het geval zou zijn en uit het dossier blijkt bovendien dat eiser geprobeerd heeft uit de gevangenis in Veenhuizen te vluchten.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van het inreisverbod of om de duur van het inreisverbod te verkorten. Eisers stelling dat hij medische problemen heeft en dat mogelijk sprake een licht verstandelijke beperking, is daarvoor onvoldoende. Uit de informatie van de GZ-psycholoog blijkt alleen dat er vermoedens bestaan dat eiser een verstandelijke beperking heeft. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd waarom de minister op grond van zijn gestelde medische of psychische omstandigheden moest afzien van het opleggen van een inreisverbod of de duur ervan moest verkorten.
Artikel 8 van Pro het EVRM [10]
19. Eiser stelt dat het opleggen van een inreisverbod in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Hij voert aan dat hij familie en vrienden heeft in Nederland en Europa. Eiser stelt weinig binding meer te hebben met Algerije. De gemachtigde heeft op de zitting verklaard dat zij telefonisch contact heeft gehad met vrienden van eiser in Ierland.
20. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft de gestelde aanwezigheid van en banden met familie en vrienden niet onderbouwd of concreet gemaakt. De enkele opmerking van de gemachtigde dat er telefonisch contact is geweest met vrienden in Ierland, is daarvoor niet voldoende. Op de zitting heeft eiser verder desgevraagd bevestigd dat de liefdesrelatie die hij in Nederland had inmiddels is beëindigd.
Terugkeerbesluit en artikel 3 van Pro het EVRM
21. Eiser voert aan dat zijn asielaanvragen nooit inhoudelijk zijn beoordeeld. Bij het opleggen en handhaven van het terugkeerbesluit heeft de minister ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
22. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat het eerder opgelegde terugkeerbesluit van 27 juli 2022 in rechte vaststaat. Daarmee is vast komen te staan dat aan eiser een terugkeerbesluit kon worden opgelegd. De minister heeft in het nu bestreden besluit daarbij terecht overwogen dat niet is gebleken dat op dit moment bij terugkeer naar Algerije sprake is van een reëel risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit dit risico blijkt en ook in eisers dossier zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het inreisverbod in stand blijkt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL22.14893.
2.NL24.47769.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2558, r.o. 3.1.
5.Vreemdelingenwet 2000.
6.Vreemdelingenbesluit 2000.
9.ECLI:EU:C:2015:377
10.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.