ECLI:NL:RBDHA:2025:1069
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onvoldoende informatie en verblijf in politiecel
Eiser, een Bulgaarse vreemdeling, werd op 8 januari 2025 in bewaring gesteld door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. Eiser voerde aan dat hij niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte was gesteld van de gronden van de bewaring en dat hij langer dan 24 uur in een politiecel had verbleven. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en het zicht op uitzetting naar Bulgarije ontbrak.
De rechtbank oordeelde dat de informatieplicht niet onrechtmatig was geschonden omdat eiser tijdens het gehoor met een Bulgaarse tolk is geïnformeerd en de belangenafweging in het voordeel van verweerder uitviel. Het verblijf in de politiecel was minder dan 24 uur, gerekend vanaf het moment van bewaring, en daarmee rechtmatig. De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, met vertrekgesprekken en vluchtaanvragen binnen korte termijn, en dat zicht op uitzetting bestond.
De zware en lichte gronden voor de maatregel van bewaring werden als feitelijk juist en voldoende toegelicht beoordeeld. De ambtshalve toetsing leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.