ECLI:NL:RBDHA:2025:11
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wedertewerkstelling na beëindiging arbeidsovereenkomst bepaalde tijd
Verzoekster trad op 1 augustus 2021 in dienst bij het bedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die in augustus 2022 werd verlengd. Beide contracten bevatten een intentieverklaring om bij wederzijds goed functioneren het contract om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De CAO voor het primair onderwijs stelt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de regel is, met uitzonderingen voor bepaalde tijd contracten van maximaal 12 maanden, die slechts in bijzondere gevallen mogen worden verlengd. Het bedrijf beëindigde de arbeidsovereenkomst per 31 juli 2023 en bood geen contract voor onbepaalde tijd aan.
Verzoekster stelde dat haar contract per 1 augustus 2022 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was geworden, waarop zij wedertewerkstelling en betaling van loon vorderde. De rechtbank oordeelde dat het bedrijf niet had aangetoond waarom zij afweek van de regel en dat het ontbreken van een toelichting niet automatisch leidt tot een contract voor onbepaalde tijd.
De arbeidsovereenkomst eindigde derhalve rechtsgeldig per 31 juli 2023. Het verzoek tot wedertewerkstelling werd afgewezen en verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot wedertewerkstelling wordt afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd rechtsgeldig is geëindigd.