Eiseres heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden heeft beslist op haar asielaanvraag van 27 januari 2023. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken en dat de minister ook na een verzoek van eiseres niet binnen twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt een nieuwe beslistermijn vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met het '8+8 wekenmodel'. Omdat de bovengrens van 21 maanden is overschreden, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- om de minister te stimuleren tijdig te beslissen. Deze dwangsom acht de rechtbank redelijk gezien de capaciteitsproblemen bij de minister en het belang van eiseres bij een spoedige beslissing. Tot slot wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres ad € 453,50.