ECLI:NL:RBDHA:2025:11277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
NL25.14529 en NL25.14532
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 20, vijfde lid DublinverordeningArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van asielaanvragen wegens overdracht aan Kroatië op basis van Dublinverordening

Eisers, van Chinese nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt dat Nederland op 27 januari 2025 een verzoek tot terugname aan Kroatië heeft gedaan, dat op 10 februari 2025 is aanvaard. Eisers betogen dat Kroatië niet voldoet aan adequate bescherming en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toepasbaar is. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigen dat Kroatië geen structurele tekortkomingen vertoont die overdracht verbieden.

Verder betogen eisers dat overdracht onevenredige hardheid oplevert vanwege traumatische ervaringen van hun kinderen. De rechtbank oordeelt dat eisers geen medische of objectieve documenten hebben overgelegd die dit onderbouwen en dat de minister terecht geen aanleiding zag om de aanvragen aan zich te trekken.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, handhaaft de besluiten en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de overdracht van eisers aan Kroatië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.14529 en NL25.14532

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1], eiser,

geboren op [geboortedatum 1],
van Chinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer 1],

[naam 2], eiseres,

geboren op [geboortedatum 2],
van Chinese nationaliteit,
V-nummer [nummer 2],
hierna tezamen eisers,
mede namens hun minderjarige kinderen,
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 3],
van Chinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer 3],
[minderjarige 2],
Geboren op [geboortedatum 4],
Van Chinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer 4],
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 5],
van Chinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer 5],
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van
26 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De verzoeken een voorlopige voorziening te treffen staan geregistreerd onder zaaknummers NL25.14530 en NL25.14533. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 juni 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de besluiten tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en de besluiten tot het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die in de Dublinverordening staat. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië op 27 januari 2025 een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 10 februari 2025 op grond van artikel 20, vijfde lid van de Dublinverordening aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eisers betogen dat de minister ten aanzien van Kroatië ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers overleggen hierbij een brief van de Dutch Uyghur Human Rights Foundation, waarin wordt betoogd dat Kroatië een patroon kent van het afwijzen van de meeste asielaanvragen, met name van mensen uit overwegend islamitische landen, dat ten onrechte wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen adequate bescherming is voor Oeigoerse asielzoekers waardoor zij een groot risico lopen om terug gestuurd te worden naar China.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling [3] van 9 oktober 2024 [4] , welke uitspraak nadien meerdere keren is bevestigd [5] , volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië. De Afdeling is daarbij ook uitgebreid ingegaan op de door eisers genoemde pushbacks en de andere in de brief genoemde rapporten. De Afdeling heeft vervolgens geoordeeld, dat de theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van pushbacks, niet kan worden gelijkgesteld met een reëel risico dat dit gebeurt. De persoonlijke ervaringen van eisers bij aankomst in Kroatië geven de rechtbank daarom nu geen aanleiding af te wijken van de jurisprudentie van de Afdeling. Eisers kunnen zich bij eventuele problemen wenden tot de Kroatische autoriteiten, het is de rechtbank niet gebleken dat dit voor eisers bij voorbaat onmogelijk of zinloos is.
5.2.
Voor zover eisers betogen dat er een risico op indirect refoulement is, wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. [6] Omdat ten aanzien van Kroatië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, komt de rechtbank niet toe aan de toets of sprake is van indirect refoulement. De rechtbank overweegt dat eisers hun vrees voor refoulement vanwege het risico op uitzetting door Kroatië, ofwel in Kroatië dienen aan te kaarten, ofwel aannemelijk moeten maken dat dit niet mogelijk is, omdat er in Kroatië sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo. Eisers zijn hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.
Onevenredige hardheid
6. Eisers betogen dat de overdracht getuigt van onevenredige hardheid vanwege de eerdere vernederende behandeling door de Kroatische autoriteiten. De minister had volgens eisers toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening en heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij de asielaanvraag niet aan zich trekt. [7] Eisers voeren hiertoe aan dat uit hun niet betwiste en door de brief van de Dutch Uyghur Human Rights Foundation ondersteunde ervaringen blijkt, dat de Kroatische autoriteiten niet welwillend zijn om de kinderen te beschermen en dat er daardoor sprake is van schending van artikel 6 van Pro de Dublinverordening. De belangen van de kinderen zouden voorop moeten staan. Daarnaast voeren eisers aan dat mocht het al zo zijn dat hun situatie niet dusdanig is dat de Nederlandse overheid de aanvragen aan zich moet trekken, de situatie van de kinderen wel dusdanig is. Het overdragen van de kinderen aan Kroatië getuigt volgens eisers al van onevenredige hardheid. De kinderen hebben nachtmerries en huilbuien vanwege de ervaringen in Kroatië. De minister had daarom volgens eisers beter moeten motiveren waarom er geen sprake is van onevenredige hardheid ten aanzien van de kinderen. Eisers stellen verder dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zij hun stellingen niet met documenten onderbouwen. Eisers verwijzen hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, waarin is geoordeeld dat het onder behandeling staan van een medisch specialist niet vereist is om aan te tonen, dat een Dublinoverdracht onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de gezondheidstoestand van de asielzoeker. [8] Eisers stellen dat een overdracht niet in het belang van de kinderen is vanwege hun traumatische ervaringen. Daarmee is volgens eisers de onevenredige hardheid een gegeven.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet als bijzondere, individuele omstandigheden zijn aan te merken. De minister heeft op goede gronden geen aanleiding gezien om de aanvragen van eisers aan zich te trekken. De minister heeft in de aangevoerde omstandigheden van zowel eisers als hun kinderen niet ten onrechte geen aanleiding gezien voor de conclusie dat een overdracht getuigd van onevenredige hardheid.
6.2.
Eisers hebben geen medische of andere objectieve documenten overgelegd waaruit volgt dat overdracht naar Kroatië de ontwikkeling van hun kinderen zal schaden of dat hun kinderen in Kroatië niet de steun kunnen krijgen die ze nodig hebben. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van zittingsplaats Den Haag treft geen doel nu het geen vergelijkbare gevallen betreffen. In die zaak ging het om de vraag welke waarde moest worden gehecht aan een document van een niet praktiserend psychiater. Eisers hebben evenwel geen enkel document overgelegd ten aanzien van de medische omstandigheden van hun kinderen of henzelf. De enkele stelling dat de kinderen getraumatiseerd zijn is onvoldoende voor een ander oordeel.
6.3.
De informatie uit de brief van de Dutch Uyghur Human Rights Foundation maakt het oordeel ten aanzien van artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet anders. De rapporten waar in de brief naar wordt verwezen heeft de Afdeling betrokken in haar uitspraken, zoals genoemd onder 5.1. en de stellingen dat sprake zou zijn van indirect refoulement zijn al beoordeeld onder 5.2.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen, dat de minister hun asielaanvragen niet in behandeling hoeft te nemen en dat eisers terecht worden overgedragen aan Kroatië. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zoals in de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2024, met ECLI:NL:RVS:2024:4664, 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076 en 6 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:919.
7.Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
8.Uitspraak van 20 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23229.