Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op haar asielaanvraag van 2 juni 2023. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet alsnog binnen twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden het ‘8+8 wekenmodel’ geldt, waarbij een kortere beslistermijn passend is. In dit geval is na een nader gehoor op 6 december 2024 een termijn van vier weken passend.
De rechtbank draagt de minister op binnen vier weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier B.A. Smit en is gepubliceerd zonder zitting. Eiseres krijgt hiermee gelijk en de minister wordt gedwongen alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.