ECLI:NL:RBDHA:2025:12161

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2025
Publicatiedatum
9 juli 2025
Zaaknummer
NL25.10337, NL25.10339, NL25.10341, NL25.10343, NL25.10345 en NL25.10469
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht gezin aan België op grond van Dublinverordening

Verzoekers, een gezin met vier meerderjarige kinderen, hebben asiel aangevraagd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvragen niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. De verzoekers stellen dat zij in België geen opvang en gezinsbehandeling zullen krijgen, vooral vanwege de meerderjarigheid van de kinderen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende vaststaat dat verzoekers in België als gezin worden behandeld en dat de meerderjarige zoons opvang zullen krijgen. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, zodat het gezin niet wordt overgedragen aan België totdat het beroep op het bestreden besluit is afgerond.

De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers. De uitspraak is zonder zitting gedaan vanwege spoed en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat het gezin niet aan België wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.10337, NL25.10339, NL25.10341, NL25.10343, NL25.10345 en NL25.10469

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , verzoeker 1

[verzoekster 1], V-nummer: [v-nummer 2] , verzoekster 1
[verzoekster 2], V-nummer: [v-nummer 3] , verzoekster 2
[verzoeker 2], V-nummer: [v-nummer 4] , verzoeker 2
[verzoekster 3], V-nummer: [v-nummer 5] , verzoekster 3
[verzoeker 3], V-nummer: [v-nummer 6] , verzoeker 3
hierna tezamen te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T.J.M. Schilder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Verweerder heeft bij de besluiten van 3 maart 2025 en 5 maart 2025 de aanvraag van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij het beroep in Nederland kunnen afwachten.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [1]

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
2. Verzoekers hebben allen de Moldavische nationaliteit. Verzoeker 1 (vader) is geboren op [geboortedatum 1] 1977 en verzoekster 1 (moeder) is geboren op [geboortedatum 2] 1980. Verzoeker 1 en verzoekster 1 hebben samen vier meerderjarige kinderen. De twee meerderjarige zoons zijn geboren in respectievelijk 1996 en 2004. De twee meerderjarige dochters zijn geboren in respectievelijk 1999 en 2003. Zij hebben allemaal asiel aangevraagd in Nederland.
3. Verweerder heeft de asielaanvragen niet in behandeling genomen, omdat de Belgische autoriteiten op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zouden zijn voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat verzoekers allen laatstelijk in België asiel hebben aangevraagd. Verweerder heeft daarom ten aanzien van verzoeker 1 en verzoekster 1 - op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening - een verzoek tot terugname gedaan bij de Belgische autoriteiten. Verweerder heeft ook ten aanzien van de meerderjarige kinderen - op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening - een verzoek tot terugname gedaan bij de Belgische autoriteiten. Deze verzoeken tot terugname zijn op 30 januari 2025 geaccepteerd.
Wat vinden verzoekers?
4. Verzoekers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat voor verzoekers ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak [2] van de hoogste bestuursrechter en een uitspraak [3] van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, en gesteld dat zij uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat vrouwen en gezinnen met minderjarige kinderen voorrang krijgen op een plek in de opvang. Hiermee heeft verweerder miskend dat de kinderen in het gezin van verzoeker 1 en verzoekster 1 meerderjarig zijn en dus geen voorrang zullen krijgen op een plek in de opvang. Verzoekers zullen in België op straat belanden en niet in hun basisbehoeften kunnen voorzien, waardoor ze terechtkomen in een toestand van verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest. [4]
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. De rechtbank houdt in zaken met alleenstaande niet-kwetsbare mannen iedere verdere beslissing aan in afwachting van de uitspraak van de hoogste bestuursrechter in het hoger beroep op de uitspraak van de rechtbank [5] over de vraag of overdracht aan België mogelijk dan wel rechtmatig is voor alleenstaande niet-kwetsbare mannen, gelet op de opvangvoorzieningen.
7. Het gezin van verzoekers bestaat uit verzoeker 1 (vader), verzoekster 1 (moeder), twee meerderjarige zoons en twee meerderjarige dochters. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat een familie met meerderjarige kinderen in België geen voorrang zal krijgen op een plek in de opvang. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verzoekers, ondanks de meerderjarigheid van de kinderen, in België zullen worden aangemerkt als familie en daardoor voorrang zullen krijgen op een plek in de opvang.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment onvoldoende vast te stellen is dat verzoekers als familie zullen worden aangemerkt en voorrang zullen krijgen op een plek in de opvang. Verweerder kan niet garanderen dat verzoekers na overdracht in België zullen worden behandeld als familie/gezin, zodat niet gegarandeerd kan worden dat de meerderjarige zoons op grond daarvan opvang zullen krijgen en niet gescheiden zullen worden van de rest van de familie.
9. Hoewel de voorzieningenrechter de zaken van de familieleden uit elkaar kan halen, zodat alleen de zaken meerderjarige zoons worden aangehouden, zal de voorzieningenrechter dit om praktische redenen niet doen. Verzoekers zijn als gezin Nederland ingereisd. Zij hebben de procedure doorlopen als gezin, waarbij zij in de claims aan België tevens zijn aangemerkt als gezin. De voornemens, zienswijzen, bestreden besluiten en de gronden zijn in alle procedures identiek. Dit alles leidt ertoe dat de voorzieningenrechter verzoekers in ieder geval voor deze procedure aanmerkt als gezin en hij het gezin de meerderjarige zoons zal laten volgen.
10. De voorzieningenrechter ziet alle betrokken belangen afwegend aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Verzoekers mogen niet worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten, totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,-. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoekers niet mogen worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896.
3.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 6 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16114.
4.Zie het arrest
5.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10383.
6.1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.