ECLI:NL:RBDHA:2025:12985
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken hechte persoonlijke banden tussen broer en zus
Eiser, een Nigeriaanse jongvolwassene, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland bij zijn zus op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees de aanvraag af omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat er sprake was van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn zus, mede vanwege twijfel over het overlijden van hun ouders en grootmoeder.
De rechtbank oordeelt dat samenwonen op zichzelf niet voldoende is voor het aannemen van hechte persoonlijke banden en dat het criterium dat de relatie de gebruikelijke omgang moet overstijgen niet als vereiste geldt. Wel is het overlijden van de ouders en grootmoeder van belang omdat de verzorgende rol van de zus hiermee samenhangt.
De rechtbank volgt de minister in diens beoordeling dat de overgelegde documenten, waaronder notariële aktes en overlijdensverklaringen, mogelijk frauduleus zijn en onvoldoende bewijs leveren. De verklaringen van eiser en zijn zus zijn wisselend en onvoldoende om het overlijden aannemelijk te maken. De minister heeft de bewijsstukken integraal en gemotiveerd beoordeeld en mocht aan de stukken een lage bewijswaarde toekennen.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiser geen machtiging tot voorlopig verblijf. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van hechte persoonlijke banden.