Uitspraak
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende persoon, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het doel verblijf bij zijn partner, die de Nederlandse nationaliteit bezit. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan vrijstellingscriteria.
De rechtbank beoordeelde dat eiser weliswaar een familieleven heeft met zijn partner, maar dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro en artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn in het nadeel van eiser uitviel. Hierbij speelde mee dat eiser illegaal in Nederland verbleef en een terugkeerbesluit opgelegd kreeg, en dat er geen objectieve belemmeringen waren om het gezinsleven in Irak voort te zetten.
Verder werd geoordeeld dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij een bijzondere en sterke binding met Nederland heeft, ondanks langdurig verblijf en sociale banden. Ook het privéleven van eiser, inclusief het overlijden van een kind in Nederland, gaf geen aanleiding tot een andere belangenafweging.
De rechtbank concludeerde dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van Nederland zwaarder weegt dan dat van eiser. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning regulier is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.