ECLI:NL:RVS:2024:1920
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingen niet vrijgesteld van mvv-vereiste bij belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag van een gezin van vier vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan vrijstellingscriteria. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en vernietigde het besluit.
In hoger beroep stond centraal of de staatssecretaris de vreemdelingen terecht niet had vrijgesteld van het mvv-vereiste, mede omdat de dochter als minderjarige vreemdeling het gedrag van haar moeder, die de Armeense nationaliteit verzweeg, mocht worden toegerekend. De staatssecretaris voerde aan dat hij alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en dat bijzondere omstandigheden vereist zijn om het privéleven voort te zetten wanneer dit is opgebouwd tijdens illegaal verblijf.
De Afdeling oordeelde dat het primair aan de staatssecretaris is om het gewicht van feiten te bepalen en dat het toerekenen van het gedrag van de moeder aan de dochter gerechtvaardigd is om misbruik van verblijfsrechten te voorkomen. De rechtbank had ten onrechte niet onderkend dat het privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen leidt tot voortzetting bij illegaal verblijf. Ook werd bevestigd dat eerdere uitspraken uit andere procedures niet binden in deze zaak. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.