ECLI:NL:RBDHA:2025:13390

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
NL24.19224
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 8 EVRMParagraaf B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende motivering afhankelijkheid

Eiseressen, moeder en zus van referent, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan voor verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees de aanvraag af omdat volgens hem geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden tussen referent en eiseressen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende alle relevante omstandigheden heeft betrokken, met name ten aanzien van de financiële afhankelijkheid van eiseressen van referent. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de overgelegde bewijsstukken, zoals pintransacties en verklaringen over financiële steun, niet aannemelijk zijn. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de onzekere verblijfsstatus in Iran en de beperkte arbeidsmogelijkheden van eiseres 2.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen hechte persoonlijke banden bestaan tussen eiseres 1 en de zoon van referent, omdat samenwoning alleen niet voldoende is en geen bijzondere bijdrage aan opvoeding is aangetoond.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiseressen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres 1

[eiseres 2], v-nummer [nummer 2], eiseres 2
samen: eiseressen
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van referent voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eiseressen voor verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft gemotiveerd. Hoewel de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres 1 en de zoon van referent geen hechte en persoonlijke banden bestaan, heeft de minister bij de beoordeling of tussen eiseressen en referent sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid onvoldoende alle omstandigheden betrokken. Eiseressen krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak
.Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister tussen referent en eiseressen ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft aangenomen en of hechte en persoonlijke banden bestaan tussen eiseres 1 en de zoon van referent. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Referent heeft op 17 oktober 2022 een mvv-aanvraag ingediend voor eiseressen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 april 2024 op het bezwaar van eiseressen is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op 4 juli 2024 gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De procedure
3. Eiseressen stellen de Afghaanse nationaliteit te hebben en beogen verblijf bij referent. Eiseres 1 stelt de moeder van referent te zijn en eiseres 2 de zus van referent. Referent en zijn gezin zijn in 2022 gerepatrieerd uit Afghanistan. Eiseressen zouden niet op de repatriëringslijst staan en zijn na het vertrek van referent eerst nog een periode in Afghanistan gebleven. Daarna hebben zij zich naar Iran verplaatst.. Daar zouden zij op dit moment nog steeds verblijven
3.1.
De minister heeft de mvv-aanvraag van eiseressen afgewezen. De minister stelt zich op het standpunt dat de familierechtelijke relatie tussen eiseressen en referent niet vast staat, maar doet daar vooralsnog geen DNA-onderzoek naar omdat eiseressen niet aan alle andere voorwaarden voor toelating voldoen. Tussen eiseressen en referent bestaat volgens de minister namelijk geen familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid [1] tussen referent en eiseressen bestaan, of hechte en persoonlijke banden tussen de zoon van referent en eiseressen.
Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat tussen referent en eiseressen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan?
4. Eiseressen betogen dat de minister ten onrechte stelt dat tussen hen en referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Ter onderbouwing van hun betoog wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024. [2] Hieruit volgt dat de minister een op het specifieke geval toegespitste beoordeling moet maken van de vraag of bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarbij hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
4.1.
De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen meerderjarige familieleden sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dit betekent dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden tussen ouders en kinderen overstijgen. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. [3]
Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De rechtbank moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de rechtbank daarom enigszins terughoudend. [4]
Samenwoning
4.2.
Eiseressen betogen dat de minister ten onrechte niet heeft betrokken dat zij en referent jarenlang met elkaar hebben samengewoond en het gezinsleven met elkaar willen voortzetten. De minister heeft ten onrechte enkel geconcludeerd dat niet is onderbouwd waarom zij niet zonder elkaar zouden kunnen leven.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid wel degelijk heeft betrokken dat eiseressen en referent tot aan het vertrek van referent hebben samengewoond. De minister heeft zich daarbij echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het in meerdere culturen, zoals de Afghaanse, gebruikelijk is dat ouders inwonen bij het gezin van de kinderen en dat de samenwoning op zichzelf dus niet maakt dat bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen eiseressen en referent.
Financiële afhankelijkheid
4.4.
Eiseressen betogen verder dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij niet financieel afhankelijk zijn van referent
.Ze hebben namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat referent de enige is die hen financieel kan ondersteunen. De minister overweegt in dit kader ten onrechte dat eiseres 2 geen pogingen zou hebben ondernomen om een baan te vinden. Eiseressen hebben in beroep toegelicht dat eiseres 2 sinds de Taliban aan de macht is gekomen in Afghanistan niet meer kan werken en referent sindsdien financieel voor zijn moeder en zus zorgt. In Iran kan eiseres 2 ook niet werken, omdat zij daar illegaal verblijft en niet aan een werkvergunning kan komen. Wanneer zij in aanraking komt met de autoriteiten wordt ze uitgezet. Dit is al eerder gebeurd. Er is dus geen mogelijkheid om in hun eigen inkomen te voorzien. Het geld dat zij hadden verkregen door de verkoop van eigendommen is op. Er is voldoende onderbouwd dat sprake is van structurele financiële steun van referent. Eiseressen hebben namelijk uitgebreid uiteengezet hoeveel en hoe vaak geld is overgemaakt en welke bedragen zijn verstuurd. De bewijslast die de minister hanteert om aan te tonen dat niemand anders steun kan verlenen is te hoog, omdat in theorie iedereen steun kan geven en bieden.
4.5.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseressen op financieel gebied enkel en dusdanig van referent afhankelijk zijn dat zij niet zonder referent zijn steun kunnen. Eiseressen hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat referent daadwerkelijk structureel (via overboekingen en via tussenpersonen) geld naar hen heeft overgemaakt. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij wel volgt dat referent online geld overmaakte aan eiseressen toen zij nog in Afghanistan verbleven, maar dat hij niet volgt dat referent eiseressen in de periode daarna tot op dit moment nog (via tussenpersonen) met contant geld ondersteunt. Eiseressen hebben ter onderbouwing daarvan namelijk slechts een overzicht van pintransacties overgelegd. Daarnaast volgt uit de zes overgelegde online geldoverboekingen ook niet dat sprake is van structurele financiële ondersteuning. Bovendien valt niet in te zien waarom eiseres 2, die in Afghanistan als naaister en lerares wiskunde heeft gewerkt, niet in Iran zou kunnen werken en daar niet voor eigen inkomsten zou kunnen zorgen. Uit een rapport van European Union Agency for Asylum (EUAA) blijkt namelijk dat het voor Afghaanse vrouwen die legaal in Iran verblijven mogelijk is om te werken. [5] De minister heeft in dat kader ook betrokken dat niet is gebleken dat de verblijfsvergunningen van eiseressen in Iran niet zouden worden verlengd. Verder heeft referent ook nog een broer en volgt uit de overgelegde stukken niet dat het voor de broer van referent in zijn geheel niet mogelijk is om financiële ondersteuning te bieden aan eiseressen. Dat hij geen inkomen heeft is niet overtuigend, want referent heeft ook geen inkomen en kan ook, al dan niet incidenteel, geld overmaken naar eiseressen. Bovendien kent het gezin nog twee zussen. Niet is gebleken dat ook zij niet financieel kunnen bijdragen aan het levensonderhoud van eiseressen. Tot slot betoogt de minister dat als er al sprake is van financiële ondersteuning, deze ook op de huidige wijze kan worden voortgezet. Het verblijf van eiseressen in Nederland daarvoor is geen vereiste.
4.6.
De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling of en in welke mate eiseressen financieel afhankelijk zijn van referent onvoldoende zorgvuldig naar de (gestelde) situatie van betrokkenen heeft gekeken en niet alle (relevante) aspecten kenbaar heeft meewogen. Zo ziet de rechtbank zonder nadere motivering niet in waarom de minister niet aannemelijk acht dat de overgelegde pintransacties voor eiseressen bedoeld zouden zijn. De minister acht namelijk wel aannemelijk dat referent eiseressen, toen zij nog in Afghanistan verbleven, via online overboekingen financieel ondersteunde én dat eiseressen zich van Afghanistan naar Iran hebben verplaatst. Bovendien heeft referent toegelicht dat Iran bepaalde websites heeft geblokkeerd waardoor online geldoverboekingen naar Iran niet meer mogelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze pintransacties onvoldoende in het licht van de verplaatsing naar Iran heeft bekeken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende de situatie van eiseres 2 heeft betrokken bij de tegenwerping dat zij in Iran zou kunnen werken. De minister gaat namelijk uit van de situatie dat eiseressen legaal in Iran verblijven, terwijl de verblijfsstatus van eiseressen in Iran onzeker lijkt te zijn. Tijdens de hoorzitting is namelijk al aangegeven dat het visum van eiseressen bijna was verlopen en dat niet zeker was of deze verlengd zou kunnen worden. Op de zitting heeft referent daaraan toegevoegd dat de verblijfsvergunningen van eiseressen vals bleken, deze niet verlengd konden worden en zijn moeder al twee keer is uitgezet en zijn zus één keer. Dit is in beroep nader onderbouwd met documenten die de stelling over de uitzetting ondersteunen. De minister heeft in beroep onvoldoende uitgelegd waarom hij de illegale verblijfsstatus van eiseressen desondanks niet aanneemt. De rechtbank overweegt verder dat het rapport waar de minister naar heeft verwezen niet specifiek op de situatie voor Afghaanse vrouwen is geschreven. De rechtbank oordeelt dat hoewel uit het EUAA-rapport volgt dat, afhankelijk van de verblijfsstatus, (beperkte) arbeidsmogelijkheden bestaan voor Afghanen, hier niet direct uit volgt dat eiseres 2 als docent of naaister in Iran aan de slag kan gaan. Bovendien heeft de minister in dit kader ten onrechte niet betrokken dat eiseres 2 al sinds de machtsovername van de Taliban in Afghanistan niet meer werkt en zij zich in Iran niet verstaanbaar kan maken.
Medische afhankelijkheid
4.7.
Eiseressen betogen verder dat de minister bij de beoordeling van de medische afhankelijkheid ten onrechte heeft beoordeeld of eiseres 1 volledig afhankelijk is van referent, of dat referent volledig afhankelijk is van eiseressen. Hiermee heeft de minister gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling een onjuist toetsingskader gehanteerd. [6]
Verder heeft de minister niet betrokken dat de psychische problemen van eiseres 1 ook gerelateerd zijn aan het niet bij elkaar of in elkaars buurt wonen.
4.8.
De rechtbank oordeelt allereerst dat de minister geen onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat de minister deze exclusieve afhankelijkheid wel mag betrekken bij zijn besluitvorming, maar dat dit niet doorslaggevend geacht macht worden. [7] Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de minister ook andere relevante aspecten heeft betrokken. Bovendien heeft de minister bij de beoordeling of sprake is van medische afhankelijkheid wel degelijk betrokken dat eiseres 1 psychische klachten heeft en dat deze (mede) gerelateerd zijn aan het niet in de buurt wonen bij haar kinderen. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat dit de enige reden is van haar psychische klachten en dat, ook als eiseres 1 naar Nederland zou mogen komen, er dan nog steeds meerdere van haar kinderen in het buitenland verblijven die ze mist. Referents aanwezigheid is volgens de minister dan ook niet de enige oplossing voor haar psychische klachten.
Emotionele afhankelijkheid
4.9.
Eiseressen betogen daarnaast dat de minister ten onrechte stelt dat emotionele afhankelijkheid niet betekent dat zij en referent in elkaars fysieke nabijheid moeten zijn. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen eiseressen naar het arrest Udeh van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat ook is overgenomen door de Afdeling in haar uitspraak van 23 december 2013. [8] Het op afstand communiceren is namelijk nooit hetzelfde als in elkaars fysieke aanwezigheid zijn. Bovendien is zelfstandig kunnen functioneren geen voorwaarde om dit in te kunnen roepen. Ook heeft de minister in dit kader onvoldoende betrokken dat het een heel arm gezin was waar weinig eten was.
4.10.
De rechtbank oordeelt dat minister zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid. Hoewel wordt ingezien dat sprake is van een sterke band, die mogelijk is versterkt door het opgroeien in armoede, is de bezorgdheid om elkaar gebruikelijk bij een goede band tussen moeder, zoon en dochter. Ook erkent de minister dat contact via moderne communicatiemiddelen anders is, maar stelt hij niet ten onrechte dat dit niet betekent dat zij enkel daarom in elkaars fysieke nabijheid moeten zijn. De verwijzing naar het arrest Udeh van het EHRM leidt niet tot een ander oordeel omdat deze ziet op een andere situatie. In dat arrest was namelijk al familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aangenomen en waren minderjarige kinderen betrokken.
Conclusie
4.11.
Gelet op dat wat de rechtbank in overweging 4.6 heeft overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister niet alle omstandigheden heeft betrokken bij de vraag of sprake is van financiële afhankelijkheid tussen eiseressen en referent. Nu de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid een afweging is van alle mogelijke omstandigheden, is de minister onvoldoende gemotiveerd tot het standpunt gekomen dat tussen referent en eiseressen geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Deze beroepsgrond slaagt dus.
Heeft de minister ten onrechte gesteld dat tussen eiseressen en de zoon van referent geen hechte, persoonlijke banden bestaan?
5. Eiseressen betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres 1 en de zoon van referent geen hechte, persoonlijke banden bestaan. De conclusie dat er geen hechte banden zijn, omdat geen bijdrage is geleverd in de opvoeding is onbegrijpelijk. Op de zitting heeft referent toegelicht dat eiseres 1 voor zijn zoontje zorgde als hij en zijn vrouw aan het werk waren. De minister heeft bovendien ten onrechte niet onderkend dat het niet normaal is dat referent zo lang met zijn gezin samen heeft gewoond met eiseres 1 en dat de zoon van referent daarom ook met eiseres 1 een bijzondere band heeft.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de minister tussen een minderjarig kind en zijn grootouder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aanneemt als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. [9] Dit is een kwestie van feitelijke aard.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat tussen eiseres 1 en de zoon van referent, geen hechte en persoonlijke banden bestaan. Hoewel eiseres 1 en de zoon van referent de eerste levensjaren van de zoon hebben samengewoond, is alleen de samenwoning niet voldoende om te spreken van hechte, persoonlijke banden. Niet is gebleken dat sprake is van een band die uitstijgt boven de gebruikelijke band tussen een oma en kleinzoon. Ook is niet gebleken dat eiseres 1 een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de opvoeding van haar kleinzoon. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
6. Het beroep is gelet op dat wat in overweging 4.6 en 4.11 is geoordeeld, gegrond. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van de grond over het al dan niet aanbieden van het DNA-onderzoek, omdat de minister opnieuw moet overwegen of dat opportuun is, afhankelijk van de uitkomst van de nieuwe beoordeling van het familieleven. Ook komt de rechtbank daarom niet toe aan de beroepsgrond over de vraag of de minister ten onrechte heeft afgezien van het maken van een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat de minister de beslissing op het bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De minister zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen.
8. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om een bestuurlijke lus toe te passen of om zelf in de zaak te voorzien. Het is namelijk aan de minister om opnieuw te beoordelen of eiseressen hun gestelde afhankelijkheid van referent aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister krijgt hiervoor acht weken de tijd.
9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseressen in de beroepsprocedure. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eiseressen een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde van eiseressen heeft een beroepschrift ingediend en is verschenen op de zitting. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Ook krijgen eiseressen een vergoeding voor het door hen betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 april 2024;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In het primaire en bestreden besluit spreekt de minister nog van “meer dan gebruikelijke afhankelijkheid”. De Afdeling heeft echter vlak voor het uitbrengen van het bestreden besluit op 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, haar terminologie gewijzigd en is gaan spreken van “bijkomende elementen van afhankelijkheid”. Ook de minister is in navolging van de Afdeling sinds het Informatiebericht 2024/57 gaan spreken van “bijkomende elementen van afhankelijkheid”. Nu het hier enkel gaat om een terminologiewijziging, spreekt de rechtbank, om verwarring te voorkomen, in de gehele uitspraak van “bijkomende elementen van afhankelijkheid”.
2.ABRvS 27 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
3.ABRvS 27 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 3.
4.ABRvS 27 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.2-5.3.
5.EUAA, Iran – Situation of Afghan refugees (11 januari 2023).
6.Eiseressen verwijzen naar de uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006 en de uitspraak van 28 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
7.Zie bv. ABRvS 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:191.
8.16 april 2023, ECLI:CE:ECHR:2013:0416JUD001202009 en ECLI:NL:RVS:2013:2693.
9.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.