In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 april 2023. Eerder had de rechtbank al geoordeeld dat de minister binnen zestien weken een besluit moest nemen, maar deze termijn werd niet gehaald. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond.
De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van vier weken op, rekening houdend met het overschrijden van de bovengrens van 21 maanden en het herhaald karakter van het beroep. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- opgelegd om de minister aan te sporen binnen deze termijn te beslissen. De rechtbank acht deze dwangsom redelijk gezien de capaciteitsproblemen bij de minister, zonder dat sprake is van een weigerachtige houding.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten van € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en relevante wetsartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht.