Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij een referent. De aanvraag werd ingediend op 21 maart 2024, terwijl verweerder uiterlijk op 19 september 2024 had moeten beslissen. Deze termijn is verstreken zonder besluit, waarna eiseres verweerder op 4 oktober 2024 rechtsgeldig in gebreke stelde en op 31 maart 2025 beroep instelde.
Verweerder past het fifo-principe toe, waardoor de aanvraag van eiseres naar verwachting pas in januari 2026 in behandeling wordt genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
De rechtbank wijst het verzoek van verweerder af om het beroep aan te houden tot de aanvraag in behandeling wordt genomen, omdat dit in strijd is met de wettelijke rechtsbescherming. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van de termijn. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van eiseres.