ECLI:NL:RBDHA:2025:14176
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.L.M. Steinebach - de Wit
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 30 juli 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister beriep zich op de Dublinverordening, die bepaalt dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag deze in behandeling moet nemen. Nederland had vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is en een verzoek tot terugname was door Duitsland aanvaard op 14 april 2025.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel risico loopt op ernstige schendingen van artikel 3 EVRM Pro en dat Duitsland hem geen daadwerkelijke bescherming zou bieden. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het Duitse asiel- en opvangsysteem tekortschiet en dat hij een reëel risico loopt op schending van mensenrechten. De enkele stelling dat Duitse autoriteiten niet serieus zouden zijn en de Procedurerichtlijn niet naleven, was onvoldoende.
Daarnaast voerde eiser aan dat zijn overdracht aan Duitsland indirect zou leiden tot refoulement, omdat Duitsland hem mogelijk naar Tunesië zou terugsturen. De rechtbank volgde het oordeel van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak dat de rechter niet mag toetsen op indirect refoulement zolang er geen systeemfouten zijn in Duitsland. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bijzondere individuele omstandigheden betreft, slaagde niet omdat eiser dit onvoldoende onderbouwde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de minister de asielaanvraag niet hoefde te behandelen en eiser aan Duitsland mag overdragen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter Steinebach - de Wit en griffier Berendsen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland blijft in stand.